Conclusie
middelklaagt dat het hof de verzoeken tot het horen van getuigen, het verrichten van nader onderzoek en het opmaken van een reclasseringsrapport onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen, althans dat die motivering zonder nadere toelichting niet begrijpelijk is. [1]
b. [getuige 2] , (…).
Het hoger beroep richt zich tegen de bewezenverklaring van alle feiten.
[getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat een persoon zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van het huis een man heeft zien staan. Ik wil hem vragen hoe het kan dat hij dat heeft gezien.
[getuige 1] heeft een man gezien. Hij omschrijft hem als iemand met een vlekje in zijn nek. Later herkent hij hem, maar benoemt dan andere kenmerken. Beide getuigen zijn door de rechtbank gebruikt voor het bewijs.
(…)
Feit 3:
Ik wil de getuigen [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] ondervragen over hun waarnemingen en hoe de gang van zaken is verlopen rond de aanhouding van verdachte.
(…)
Ik heb nog een aanvullende onderzoekswens die niet in mijn pleitnota staat. Uit de aangifte van [getuige 12] (p. 307) blijkt dat er wellicht camerabeelden zijn gemaakt van wat er is gebeurd. Ik verzoek om het opmaken van een aanvullend proces-verbaal om erachter te komen of deze beelden er zijn en of er wat relevants op te zien is. We kunnen ook aan [getuige 12] vragen of deze beelden er zijn.
Uit het proces-verbaal van relaas op p. 166 blijkt dat het pand door een schoonmaakbedrijf is gereinigd. Ik wil weten of dat is gebeurd en wanneer. Dat is relevant voor de beoordeling welke waarde we moeten toedichten aan het aangetroffen DNA van verdachte.
[getuige 7] is de neef van verdachte. Verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat hij tussen 5 en 7 juni 2014 bij [A] is geweest met [getuige 7] . [getuige 7] werkte bij [A] . Dat was in de periode dat verdachte gewond was geraakt door een ander feit. Verdachtes verklaring luidt dat hij daar in de genoemde periode is geweest maar dat hij er niet heeft ingebroken. Ik zal proberen het adres van [getuige 7] te achterhalen.
Ik laat mijn verzoek om [getuige 8] te horen vallen.
Er zouden glasscherven in het pand zijn aangetroffen. Ik neem aan dat die glasscherven afkomstig zijn van de ruit die is ingeslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij meermalen in die straat is geweest. Daarom is het van belang of het bloed van verdachte op de binnenkant of op de buitenkant van de ruit heeft gezeten. Er dient daarnaar nader onderzoek te worden gedaan.
Ik vind het spijtig dat de raadsman niet eerder met een toelichting op zijn onderzoekswensen is gekomen. Ook de Hoge Raad stelt als eis dat onderzoekswensen behoorlijk gemotiveerd worden. In mijn eerder opgestelde schriftelijke standpunt heb ik geconcludeerd dat de onderzoekswensen moeten worden afgewezen omdat zij onvoldoende gemotiveerd zijn. De raadsman komt vandaag met een toelichting. Hij dient te motiveren waarom het horen van getuigen van belang is voor enige in artikel 348 of Pro 350 Sv te nemen beslissing. Dit is voor geen enkele onderzoekswens gelukt.
Ik zie het belang van de verdediging niet om de getuigen te horen.
(…)
Feit 3:
Ik zie het belang van de verdediging niet om de getuigen te horen.
(…)
Feit 5:
Ik zie het belang van de verdediging niet om dit nader onderzoek te laten plaatsvinden.
[getuige 7] zou kunnen verklaren dat verdachte eerder bij [A] is geweest. Maar hoe kan het dan dat daar bloed van verdachte wordt aangetroffen? Er is geen begin van aannemelijkheid voor een alternatief scenario.
De beschikbare beelden waren voor zover ik weet bij het dossier gevoegd. Ik zie het belang van de verdediging niet om de getuigen te horen.
Er is geen begin van aannemelijkheid voor een alternatief scenario.
De advocaat-generaal stelt dat niet is gebleken dat een van de verzoeken tot nader onderzoek van belang is voor enige beslissing zoals genoemd in artikel 348 of Pro 350 Sv. Ik acht het ter discussie stellen van de kracht van bewijs van belang. De advocaat-generaal legt de Murray jurisprudentie heel ruimhartig uit. Volgens hem dient de verdediging eerst het tegendeel aannemelijk te maken. Het bewijs is echter vaak dun. Het is niet aan verdachte om aan te tonen dat het anders is gegaan. Als het op dit moment al duidelijk was dat het anders is gegaan zouden we geen nader onderzoek nodig hebben. Verdachte heeft geen flauw idee hoe zijn bloed op de plaats delict terecht is gekomen, maar hij weet wel dat hij eerder op deze plekken is geweest.
(…)
ter terechtzitting wil doen oproepen, zoals bedoeld in art. 410, derde lid, Sv. Onderdeel 5 van de appelschriftuur spreekt namelijk van het horen van getuigen “vooruitlopend op de behandeling in hoger beroep”, waarbij tevens melding wordt gemaakt van een verzoek aan de raadsheer-commissaris ingevolge art. 411a Sv. [11] Het hof, dat zoals gezegd de getuigenverzoeken heeft getoetst aan het verdedigingsbelang, heeft de inhoud van de appelschriftuur kennelijk en niet onbegrijpelijk verstaan als een opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv. De beoordeling van de vraag of een appelschriftuur zo’n opgave bevat, is aan het hof. [12] In cassatie dient dan ook ervan te worden uitgegaan dat de in het middel bedoelde getuigen op de voet van art. 410, derde lid, Sv bij appelschriftuur zijn opgegeven.