Conclusie
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “
diefstal” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest vermeld.
De raadsman voert het woord tot verdediging en merkt in dat kader het volgende op:
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
er onvoldoende verdenking bestond voor het uitvoeren van een zogeheten blokmeting door het nutsbedrijf met betrekking tot de woning van verdachte;
er onvoldoende verdenking bestond voor het binnentreden in de woning van verdachte, zodat dit binnentreden onrechtmatig was.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 7 januari 2015, doorgenummerde dossierpagina’s 6 en 7 uit het procesdossier, blijkt dat reeds op 29 november 2014 door de bewoner van de [a-straat 1] (gelegen tegenover de in de tenlastelegging bedoelde woning) telefonisch melding werd gedaan bij de politie omtrent overlast, eruit bestaande dat er “de hele dag mensen aan de deur” komen die “even naar binnen gaan en binnen een paar tellen weer buiten staan”. Op 4, 9, 18 en 23 december 2014 alsook op 2 januari 2015 ontving de politie diverse mailberichten van de bewoonster van de [a-straat 1], waarin zij telkens melding deed van verschillende auto’s die zich bij de woning van verdachte ophielden en soms in korte tijd meermalen c.q. in de nachtelijke uren langskwamen. Ook viel het haar op dat de rolluiken werden neergelaten wanneer verdachte een bus leeg laadde en dat de rolluiken weer omhoog worden gedaan wanneer verdachte daarna weer vertrok.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 18 januari 2015, doorgenummerde dossierpagina 8 uit het procesdossier, blijkt dat op 13 januari 2015 werd bevonden dat een aantal van de door de bewoonster van de [a-straat 1] genoemde kentekens hoorden bij auto’s afkomstig uit Bergen op Zoom c.q. Den Haag. Daarop is besloten tot het laten verrichten van een meting door het nutsbedrijf Delta Nuts. Dit resulteerde erin dat verbalisant [verbalisant 2] van de contactpersoon van genoemd nutsbedrijf een bericht ontving, inhoudende: “De meting [a-straat 2] in [plaats] is positief, er wordt gekweekt van 21.00 tot 09.00 uur. Er hangen ongeveer 18 lampen van 600 W.”
eerste middelklaagt, in samenhang bezien met de toelichting daarop, dat het oordeel van het hof dat het uitvoeren van een blokmeting geen dwangmiddel betreft waartoe aan bepaalde voorwaarden, zoals een voldoende verdenking, moet zijn voldaan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu voor het vorderen van dergelijke gegevens op grond van art. 126nd Sv een redelijke verdenking noodzakelijk is.
dat er op basis van onvoldoende informatie tot een blokmeting[is]
besloten”. Het hof heeft dit verweer verworpen en daarbij overwogen dat een blokmeting geen dwangmiddel betreft waarvan de toepassing vergt dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan, zoals een voldoende mate van verdenking. Tevens heeft het hof overwogen dat er ook overigens goede gronden waren voor het laten verrichten van een blokmeting. Volgens de steller van het middel heeft het hof hiermee miskend dat een verzoek aan een nutsbedrijf tot het verrichten van een blokmeting wordt bestreken door art. 126nd Sv, terwijl de toepassing daarvan een redelijk vermoeden van schuld vereist. Gelet hierop zouden de bewijsmiddelen die zijn verkregen door de blokmeting, moeten worden uitgesloten van het bewijs.
vrijwilligeafgifte van gegevens te
verzoekenaan de houder van deze gegevens in die gevallen waarin de gegevens onder het bereik vallen van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna ook: Wbp). [7] Wel kunnen gegevens uit eigener beweging (i.e. spontaan) en op vrijwillige basis aan de politie worden verstrekt. [8]
elk gegeven [10] betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.” [11]
zijn identiteit redelijkerwijs, zonder onevenredige inspanning, vastgesteld kan worden”. [15] Twee factoren zijn daarbij van belang: de aard van de gegevens en de mogelijkheden van de verantwoordelijke om tot een identificatie te komen. De totstandkomingsgeschiedenis van de Wbp wijst uit dat een persoon identificeerbaar is indien sprake is van gegevens die alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn, dat aan de hand van deze gegevens de desbetreffende persoon kan worden achterhaald. Ook gegevens die niet direct tot identificatie van een bepaald persoon leiden maar via nadere stappen in verband kunnen worden gebracht met een bepaalde persoon, vallen onder de reikwijdte van de wet. Indien
zonder bijzondere inspanningde identiteit van een persoon kan worden vastgesteld, is reeds sprake van persoonsgegevens. [16] Onder meer relevant zijn de mogelijkheden van de houder van de gegevens om identificatie tot stand te brengen. Daarbij moet in concrete gevallen mede worden stilgestaan bij de bijzondere expertise en technische faciliteiten van de verantwoordelijke. [17] Daarnaast dient de gegevensverstrekker rekening te houden met de persoon en toerusting van de ontvanger; zijn de bewuste gegevens in handen van deze specifieke ontvanger al dan niet identificerend? Daarbij staat de omstandigheid dat gegevens mogelijk nader moeten worden bewerkt om personen te identificeren, niet aan de toepassing van de Wbp in de weg. Hoewel bijvoorbeeld samenvoeging van gegevens (‘aggregatie’) het onderscheidend vermogen van gegevens doet verminderen, kunnen met behulp van andere bestanden gegevens toch nog identificerend worden. Ook in een dergelijk geval is de Wbp van toepassing. [18]
op verzoek van de politieverzamelt door middel van een blokmeting, betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare persoon. Het volgende is daarbij nog van belang. Door een blokmeting wordt het stroomverbruik van een blok huizen en/of bedrijven inzichtelijk. Een dergelijke meting is in feite opgebouwd uit het totale individuele stroomverbruik van personen binnen dat blok, zonder dat deze individuen direct identificeerbaar zijn. De omstandigheid dat het stroomverbruik niet op persoonsniveau wordt vergaard, staat echter aan de toepassing van de Wbp niet in de weg. Doorslaggevend is dat de identiteit van een persoon zonder bijzondere inspanning kan worden vastgesteld. Het doel van de betreffende blokmeting is immers gericht op het verkrijgen van informatie over een specifiek persoon. De uit een blokmeting verkregen gegevens worden door politie en justitie namelijk aangewend om het vermoeden te toetsen als bedoeld in art. 9, eerste lid, onder b, Opiumwet voorafgaand aan het binnentreden in de woning van een verdachte. Weliswaar ligt in een blokmeting een onzekerheidsmarge besloten (misschien hebben de buren (ook) een hennepplantage opgetuigd), maar de vergaarde informatie kan niet los worden gezien van het omschreven doel. Bovendien is sowieso te voorzien dat de betreffende gegevens in handen van de politie, als ontvanger, als identificerend zijn aan te merken. In combinatie met andere opsporingsinformatie, kan de persoon waarop de gegevens betrekking hebben eventueel worden geïdentificeerd. Aan de tweede voorwaarde om te spreken van persoonsgegevens is dan ook voldaan. In dit kader wijs ik ook op een
opinievan het onafhankelijke advies -en overlegorgaan van Europese privacytoezichthouders, de zogeheten Artikel 29-werkgroep. Hierin staat onder meer vermeld:
Een van de relevante factoren om te bepalenof er redelijkerwijs in te zetten middelen
zijn om de betrokkenen te identificeren, is zoals eerder gezegd hetdoeldat de voor de verwerking verantwoordelijke met de verwerking beoogt. Nationale gegevensbeschermingsautoriteiten hebben te maken gehad met gevallen waarin enerzijds door de voor de verwerking verantwoordelijke werd aangevoerd dat slechts verspreide stukjes informatie werden verwerkt, zonder verwijzing naar een naam of een ander direct identificatiemiddel, en dat de gegevens niet als persoonsgegevens moesten worden beschouwd en daarom niet onder de regels voor gegevensbescherming vielen. Anderzijds heeft de verwerking van die informatie slechts nut als die het mogelijk maakt specifieke personen te identificeren en op een bepaalde wijze te behandelen. In dergelijke gevallen waarin het doel van de verwerking impliceert dat personen worden geïdentificeerd, kan worden verondersteld dat de voor de verwerking verantwoordelijke over “redelijkerwijs in te zetten middelen” beschikt om de betrokkene te identificeren. Aan te voeren dat personen niet identificeerbaar zijn als het doel van de verwerking nu juist die identificatie is, komt neer op een contradictio in terminis. De informatie moet dan ook worden beschouwd als informatie betreffende identificeerbare personen, wat betekent dat voor de verwerking de regels inzake gegevensbescherming gelden.” [19]
alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatie‐gegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;”
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat ten tijde van het binnentreden in de woning van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestond aan een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit.
de hele dag mensen aan de deur” komen die “
even naar binnen gaan en binnen een paar tellen weer buiten staan”. Deze buurvrouw heeft daarnaast op vijf verschillende data per e-mail contact opgenomen met de wijkagent om melding te maken van diverse auto’s die zich bij de woning van verdachte ophielden en soms in korte tijd meermalen en in de nachtelijke uren langskwamen. Eveneens heeft de bewoonster melding gemaakt van het neerlaten van de rolluiken op het moment dat de verdachte een bus ontlaadde, terwijl de rolluiken weer omhoog werden gedaan op het moment dat de verdachte vertrok. De door de buurvrouw genoteerde kentekens zijn door de verbalisanten nagetrokken. Uit een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 18 januari 2015 blijkt dat een aantal van de door de buurvrouw genoteerde kentekens afkomstig was uit Bergen op Zoom en Den Haag. Vervolgens is door nutsbedrijf Delta Nuts een meting gedaan. Op 13 januari 2015 ontving de politie een bericht dat de meting ‘positief’ was. Eveneens meldde het nutsbedrijf dat er wordt gekweekt van 21:00 tot 9:00 uur en dat er ongeveer achttien lampen van 600 W hangen.