ECLI:NL:HR:2014:3537

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2014
Publicatiedatum
9 december 2014
Zaaknummer
13/03872
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.1 aanhef, onder b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling redelijk vermoeden voor binnentreden woning bij hennepteelt

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin werd geoordeeld dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond voor het binnentreden in haar woning wegens hennepteelt.

Het hof baseerde zijn oordeel op waarnemingen met een warmtebeeldcamera die een extreme warmtebron op de zolder van het pand aan een adres in 's-Heerenberg toonden. De verbalisant was ambtshalve bekend met de noodzaak van een tropisch klimaat voor binnenkweek van hennepplanten. Deze feiten en omstandigheden werden door het hof als voldoende aanwijzingen gezien voor het redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit onder de Opiumwet.

De verdediging voerde aan dat de informatie over de aanleiding en gronden van het binnentreden te summier was en dat het proces-verbaal onvoldoende was om het binnentreden te rechtvaardigen. Dit verweer werd door het hof verworpen.

De Hoge Raad stelt voorop dat de beoordeling van feiten en omstandigheden voor toepassing van art. 9.1 aanhef, onder b, Opiumwet in belangrijke mate aan de feitenrechter is voorbehouden en dat cassatie slechts in beperkte mate toetsing daarop kan uitoefenen. Het oordeel van het hof dat het redelijk vermoeden bestond is niet onbegrijpelijk of onjuist van rechtsopvatting.

Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof oordeelde terecht dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond voor het binnentreden.

Uitspraak

9 december 2014
Strafkamer
nr. 13/03872
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 4 april 2013, nummer 21/003509-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.D.J. Visschers, advocaat te Zutphen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat ten tijde van het binnentreden in de woning van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestond aan een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"1:
zij in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 9 september 2010 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, telkens opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1]) een groot aantal hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2:
zij in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 9 september 2010 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander NV."
2.3.
De bestreden uitspraak houdt onder meer in:
"Door de raadsman is ter terechtzitting van het hof van 7 juni 2012 aangevoerd dat de informatie over de aanleiding van het onderzoek en de gronden van binnentreden in de woning van verdachte te summier zijn. Bij tussenarrest van 21 juni 2012 heeft het hof het wenselijk geacht dat de advocaat-generaal de, mogelijk aanwezige, nadere stukken over de warmtemeting en de reden voor binnentreden opvraagt en in het dossier voegt.
Naar aanleiding van voormeld tussenarrest zijn processen-verbaal van bevindingen van 15 november 2012 en 31 augustus 2010 aan het dossier toegevoegd.
De raadsman heeft ter zitting van het hof van 21 maart 2013 aangevoerd dat het enkele proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2010 waarin wordt gerelateerd over het ontdekken van een warmtebron op het adres van verdachte, onvoldoende grond vormt voor het binnentreden van de woning.
Het hof verwerpt dit verweer. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisant op 31 augustus 2010 met behulp van een warmtebeeldcamera kon zien dat op de zolder van perceel [a-straat 1] te 's-Heerenberg een extreme warmtebron aanwezig moest zijn. Het was verbalisant ambtshalve bekend dat voor een succesvolle binnenkweek van hennepplanten een tropisch klimaat nodig is.
Het hof is van oordeel dat op grond van het vorenstaande niet gesteld kan worden dat er sprake was van onrechtmatig binnentreden. Er bestond naar aanleiding van de geconstateerde warmtebeelden een gerechtvaardigd vermoeden dat zich op het adres van verdachte een hennepkwekerij bevond."
2.4.1.
Vooropgesteld dient te worden dat het antwoord op de vraag of bepaalde feiten en omstandigheden toereikend zijn voor de toepassing van art. 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet in belangrijke mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter daaromtrent kan derhalve in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst.
2.4.2.
Het Hof heeft vastgesteld dat de verbalisant met behulp van een warmtebeeldcamera kon waarnemen dat op de zolder van het pand aan de [a-straat 1] te 's-Heerenberg "een extreme warmtebron aanwezig moest zijn" en dat het deze verbalisant ambtshalve bekend was dat voor een succesvolle binnenkweek van hennepplanten een tropisch klimaat nodig is. Het Hof heeft geoordeeld dat deze feiten en omstandigheden voldoende aanwijzingen opleverden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in de Opiumwet rechtvaardigden. Door het gevoerde verweer op die grond te verwerpen heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is evenmin onbegrijpelijk.
2.5.
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 december 2014.