Conclusie
ter zake van de in het verzoek genoemde feiten”. De feiten heeft het Hof naar het recht van Curaçao gekwalificeerd als “
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en “
het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van cocaïne”.
eerste middelaangeduide klacht houdt in dat de artikelen 5 en 6 EVRM zijn geschonden “
doordat het Hof over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft beslist zonder dat was gewaarborgd dat de opgeëiste persoon zich hiertegen op behoorlijke wijze kon verdedigen.” Een dergelijke klacht kan niet als een cassatiemiddel als bedoeld in artikel 437, tweede lid, Sv worden aangemerkt bij gebrek aan een stellige en duidelijke klacht over de schending van een recht of het verzuim van vormen “
door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen”. [1]
vraagt de aandacht van uw Raad voor de hoogst onbevredigende inhoud van die regeling - beter gezegd: gebrek aan inhoud.” Dat is echter geen als cassatiemiddel aan te merken klacht.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof op ontoereikende gronden althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen, ertoe strekkende dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard op de grond dat de opgeëiste persoon “
het slachtoffer was geworden van een (flagrante) inbreuk op artikel 6 EVRM Pro en dat een aanmerkelijke kans bestond dat hij in de Verenigde Staten geen eerlijk proces zou krijgen als bedoeld in artikel 6 lid 2 EVRM Pro (dreigende flagrante inbreuk)”.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de uitlevering ontoelaatbaar kan worden verklaard indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico op een flagrante inbreuk op een hem ingevolge artikel 6 EVRM Pro toekomend recht, dat de ingevolge artikel 1 EVRM Pro op Curaçao rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de uitlevering in de weg staat. Volgens de raadsvrouw is in dit geval duidelijk sprake van politiële uitlokking, waardoor op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de opgeëiste persoon van meet af aan het recht op een eerlijk proces is ontnomen en dus het vervolgingsrecht is vervallen. Nu niet kan worden getoetst of is gehandeld binnen de grenzen van de zogenoemde Tallon-criteria, is de vrees gerechtvaardigd dat op naleving van deze criteria na uitlevering onvoldoende acht zal worden geslagen, aldus de raadsvrouw.
De bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de Minister van Justitie die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan, brengt mee dat de rechter op grond van zijn toetsing aan art. 6 EVRM Pro de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM Pro toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM Pro op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. Een en ander laat onverlet dat de uitleveringsrechter de Minister van Justitie kan adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan, omtrent welke vraag de Hoge Raad zich in het onderhavige geval in een nader advies zal uitlaten.” [2]
slechtsontoelaatbaar mag verklaren indien” et cetera, zodat het er bij nauwgezette lezing – ook zonder de door mij toegevoegde onderstreping – wel degelijk staat.
19. […] De politie heeft zodanige druk op [de opgeëiste persoon] uitgeoefend, ook na aanvankelijk weigeren, dat hij is uitgelokt tot het plegen van de feiten als tenlastegelegd in de VS.”
22. […] Er zijn geen indicaties om aan te nemen dat hij zonder actieve uitlokking van de politie wel deze zelfde strafbare feiten zou hebben begaan. In het gedrag van de DEA is de oorzaak van het strafbare feit gelegen, heeft de DEA dit rechtstreeks teweeg gebracht bij [de opgeëiste persoon] en zou het zonder de DEA niet gepleegd zijn. Hun opzet was duidelijk gericht op het bewegen van [de opgeëiste persoon] tot het begaan van dit strafbare feit: het grondfeit. Het wilsbesluit bij [de opgeëiste persoon] is door de DEA opgewekt. Het bewegen van [de opgeëiste persoon] is geschiedt door geld te beloven en het middel (nepcocaïne) te verschaffen. Het nemen van initiatief in het contact met [de opgeëiste persoon] is zijdens de politie, herhaling van aanbod ondanks aanvankelijk afslaan door [de opgeëiste persoon], het bieden van significante bedragen en psychologische druk.”
24. [de opgeëiste persoon] zou deze strafbare feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd niet hebben gepleegd als hij niet benaderd was door die DEA-agenten. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen van wel. De DEA is veel verder gegaan dan de passieve rol van undercover agent en hebben hem actief uitgelokt tot het met de politie in zee gaan […].”
door de Amerikaanse autoriteiten hier ten lande bijzondere opsporingsmethoden, zoals observatie en infiltratie zijn gebruikt zonder bemoeienis van het lokale Openbaar Ministerie, waardoor niet kan worden getoetst of al dan niet is gehandeld in strijd met het in ons (en niet op gelijke wijze in het Amerikaanse) rechtssysteem geldende zgn. Tallon-criterium (177m, derde lid Sv).”
bewijsgaringmoet worden aangemerkt als een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM Pro en dat aan de opgeëiste persoon na uitlevering geen rechtsmiddel ter zake van die inbreuk ten dienste staat. Dat zijn twee te onderscheiden vragen. [4] Op het verweer dat betrekking heeft op de dreigende flagrante inbreuk heeft het Hof niet gerespondeerd. Tot vernietiging behoeft dit verzuim niet te leiden omdat het Hof het verweer slechts had kunnen verwerpen.
geen effectief rechtsmiddel tegen entrapment, in de betekenis welke het EHRM daaraan heeft gegeven, ter beschikking zal staan.” Een dergelijk verweer behoeft een feitelijke beoordeling en kan daarom niet met succes voor het eerst in cassatie worden opgeworpen.
dat op dit punt in het strafproces, indien de uitlevering toelaatbaar zal worden verklaard, op de naleving van dit criterium[verwezen wordt naar het Tallon-criterium, AG]
onvoldoende acht zal worden geslagen en/of dat aan de niet-naleving niet de consequenties zullen worden verbonden die naar het recht van Curaçao geboden zijn: de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging of ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van de (immers uitgelokte) verdachte.” De geuite “
vrees” kan niet worden aangemerkt als een voldoende onderbouwd verweer.
derde middelbehelst de klacht dat “
ten aanzien vancount 2
niet aan de eis van dubbele strafbaarheid is voldaan, althans de daaromtrent genomen beslissing zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is”. De feiten kunnen geen strafbare voorbereidingshandeling opleveren naar het recht van Curaçao op de grond dat de feiten die in “
count 2” zijn uiteengezet, betrekking hebben op een koffer waarin zich weliswaar in de voorstelling van de opgeëiste persoon cocaïne zou bevinden, maar waarin zich volgens de uiteenzetting van de feiten “
sham cocaine” bevond.
count 2” zijn de feiten gekwalificeerd als “
attempted importation and distribution of cocaine into the United States, in violation of Title 21, United States Code, Sections 959(a)(2), 960(b)(1)(b)(ii), and 963, and Title 18, United States Code, Section 2”. De eis dat het feit strafbaar is “
krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen” [6] heeft geen betrekking op de kwalificatie van de feiten. [7] De kwalificatie naar het recht van de verzoekende staat en de kwalificatie naar het recht van de aangezochte staat behoeven niet identiek te zijn. In zoverre faalt het middel reeds.
count 2” betrekking heeft, merk ik het volgende op.
Ten aanzien van count 2 (attempt to import cocaine) geldt het volgende. Met de raadsvrouw is het Hof van oordeel dat, nu vaststaat dat de koffer die door de DEA- agent naar de Verenigde Staten is vervoerd geen cocaïne bevatte, naar Curaçaos recht van een strafbare poging geen sprake is. De (verweten) omstandigheid dat de opgeëiste persoon in de veronderstelling verkeerde dat de koffer cocaïne bevatte doet daar niet aan af.
Affidavit in support of request for extradition” als volgt uiteengezet:
An investigation by the United States Drug Enforcement Administration (‘DEA’) revealed that the subjects of this extradition request, [de opgeëiste persoon] and [A], a/k/a ‘[…],’ beginning on an unknown date but no later than December 2014, and continuing through on or about January 26, 2015, conspired with others to distribute cocaine, intending that such controlled substance would be imported into the United States, in violation of United States law.
vierde middelbehelst de klacht dat “
ten aanzien vancount 1
niet aan de eis van dubbele strafbaarheid is voldaan, althans de daaromtrent genomen beslissing zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is”. De feiten kunnen naar het recht van Curaçao – kort gezegd – geen deelneming aan een criminele organisatie opleveren omdat de “
vereiste duurzaamheid en continuïteit van het samenwerkingsverband die voorwaarde is voor” het hier toepasselijke art. 2:79 Sr Pro Curaçao, “
uit de door de Amerikanen geschetste feiten en omstandigheden noch uit de door het hof gedane vaststellingen volgen”.
count 1” zijn de feiten gekwalificeerd als “
conspiracy to import into the United States, from a place outside thereof, ten kilograms of cocaine, in violation of Title 21, United States Code, Sections 959(a)(2) and 963”. De eis dat het feit strafbaar is “
krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen”, heeft geen betrekking op de kwalificatie van de feiten. In zoverre faalt het middel reeds.
count 1” betrekking heeft, wijs ik eerst op hetgeen het Hof hierover heeft overwogen. Het middel gaat daaraan volledig voorbij. Ik citeer:
Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat - kort gezegd - de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht naar het recht van Curaçao niet strafbaar zijn, omdat nepcocaïne geen verboden middel is. Dit brengt, aldus de raadsvrouw, mee dat er geen sprake is van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat de poging om cocaïne te smokkelen absoluut ondeugdelijk was.
Affidavit in support of request for extradition”, heb ik hierboven geciteerd bij de bespreking van het derde middel.