ECLI:NL:HR:2001:AB3324
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.M.M. Orie
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep cassatie tegen uitlevering aan Verenigde Staten ondanks bezwaren inzake bewijsvergaring
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Haarlem die de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar verklaarde. De opgeëiste persoon, gedetineerd in Amsterdam, stelde dat de stukken van de verzoekende staat onvoldoende inzicht boden in de rechtmatigheid van de bewijsvergaring, met name inzake infiltratie- en undercoveractiviteiten.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet tot de taak van de uitleveringsrechter behoort om de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek of het bewijsmateriaal te toetsen, ook niet wanneer Nederland medewerking verleende aan het opsporingsonderzoek. Dit uitgangspunt geldt ook als de bewijsvergaring mede door Nederlandse rechtshulp tot stand kwam.
Het beroep faalde omdat de raadsman geen gegevens aanvoerde waaruit zou blijken dat de uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van rechten zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad bevestigde dat de stukken voldoen aan de eisen van het uitleveringsverdrag en verwierp het beroep. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 10 juli 2001.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan de Verenigde Staten wordt bevestigd.