3.4. Het middel en de toelichting erop zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat de huur en koop van twee auto’s en een aantal contante stortingen op de eigen rekening van de verdachte geen vermoeden van witwassen opleveren. Bij de beoordeling van dit middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het is vaste rechtspraak dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake de selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een andere bewijsbeslissing toelaat.De wetswijziging van 1 januari 2005 waarbij aan art. 359, tweede lid, Sv een tweede volzin is toegevoegd heeft daarin geen wijziging gebracht. Nadien is de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal nog altijd voorbehouden aan de feitenrechter, ook indien de feitenrechter tot een vrijspraak komt. Wel brengt die wetswijziging mee dat de feitenrechter zijn beslissing in een aantal gevallen nader zal moeten motiveren, onder meer wanneer het openbaar ministerie ter zake van de bewijsvoering een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen.
3.5. De vraag rijst mitsdien of de bewijsmotivering van het hof – tegen de achtergrond van de vrijheid van de feitenrechter het bewijsmateriaal te selecteren en te waarderen en met inachtneming van de terughoudende toetsing die in cassatie in het bijzonder ook bij de beoordeling van vrijspraken heeft te gelden – desondanks onbegrijpelijk en daarom ontoereikend is.
3.6. Zoals vaak, is ook in de onderhavige zaak over het bewijs van (gewoonte)witwassen het springende punt of kan worden bewezen dat de goederen die de verdachte heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt, uit enig misdrijf afkomstig zijn. Ten aanzien van het bewijs van dat delictsbestanddeel geldt het volgende. Gelet op het doel en de strekking van art. 420bis Sr, alsmede de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling, moet worden aangenomen dat niet hoeft worden bewezen uit welk nauwkeurig omschreven misdrijf het object van de witwashandeling afkomstig is. Aldus hoeft uit de bewijsmiddelen niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar het misdrijf is begaan waaruit het desbetreffende voorwerp afkomstig is.Indien op grond van het beschikbare bewijsmateriaal geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan desondanks bewezen worden dat een goed uit misdrijf afkomstig is, wanneer het op grond van de wel vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn.Het is aan het openbaar ministerie de taak om bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.Indien de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van een criminele herkomst van de goederen rechtvaardigen, dan mag van de verdachte worden verlangd dat zij voor de herkomst ervan een verklaring geeft.Dit brengt weliswaar niet mee dat het dan ook aan de verdachte is aannemelijk te maken dat de goederen niet van enig misdrijf afkomstig zijn,maar komt de rechter tot het oordeel dat de door de verdachte gegeven verklaring niet aannemelijk is geworden, dan kan hij daaraan in voorkomende gevallen wel de gevolgtrekking verbinden dat een legale herkomst van de goederen dus ontbreekt.
3.7. Door dit stramien te volgen wordt op een praktisch hanteerbare wijze het hoofd geboden aan de bewijsproblemen die het delictsbestanddeel dat betrekking heeft op de afkomstuit enig misdrijf met zich kan brengen. Dat neemt niet weg dat het in de kern erom blijft gaan of wettig en overtuigend is bewezen dat de goederen met betrekking tot welke de verdachte witwashandelingen heeft verricht, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarop is de hiervoor onder 3.4 vooropgestelde vrijheid in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal derhalve ten volle van toepassing. Dat de vraag in verschillende tussenstappen wordt opgedeeld, maakt dat niet anders. De steller van het middel lijkt dat enigszins uit het oog te hebben verloren.
3.8. Het hof heeft in de motivering van de vrijspraak van de verdachte de hiervoor onder 3.6 beschreven werkwijze gevolgd. Na te hebben vastgesteld dat het strafrechtelijk onderzoek geen direct bewijs van enig grondmisdrijf heeft opgeleverd, gaat het hof na of de wel vast te stellen feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Die vraag beantwoordt het hof negatief voor wat betreft de twee auto’s en de contante geldstortingen en positief ten aanzien van de aanschaf van meubelen ter waarde van € 53.373,-. De voor de aanschaf van meubelen door de verdachte gegeven verklaring heeft het hof evenwel aannemelijk geacht. De steller van het middel meent dat het oordeel van het hof dat de aanwezigheid van de twee auto’s en contante geldstortingen geen vermoeden van witwassen rechtvaardigt, onbegrijpelijk is. Daartoe wordt verwezen naar het in hoger beroep gehouden requisitoir waarin is aangevoerd dat de inkomsten van de verdachte in de tenlastegelegde periode wel zeer beperkt zijn geweest en dat haar voormalig partner niet over een legale inkomstenbron beschikte. Ook wordt erop gewezen dat het hof aan zijn oordeel dat de eenmalige aanschaf van de meubelen voor een zo hoog geldbedrag door middel van contanten een vermoeden van witwassen rechtvaardigt, mede ten grondslag heeft gelegd dat de voormalig partner van de verdachte geen legaal inkomen genoot, terwijl de verdachte een laag inkomen had. Het hof heeft die inkomsten kennelijk te laag geacht om een contante aankoop van meubelen ter waarde van meer dan € 50.000 te kunnen verklaren, maar niet zo gering geacht dat ook de aanwezigheid van twee auto’s en de contante stortingen van gemiddeld € 2404 per maand tot een verklaring van de verdachte noopten. Het hof heeft zich in elk geval – ook bij gebreke van zo een aannemelijke verklaring – op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet overtuigd geacht van de afkomst uit misdrijf van die laatstgenoemde goederen. Daarmee is de bewijsmotivering van het hof niet innerlijk tegenstrijdig en ook overigens niet onbegrijpelijk. Dat hetgeen door het openbaar ministerie in hoger beroep aan bewijsmateriaal te berde is gebracht, ook een andere bewijsbeslissing toelaat, maakt dat niet anders. Voor een nadere toetsing van het oordeel van het hof is in cassatie geen plaats.
3.9. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat de vrijspraak ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof niets heeft overwogen omtrent de in de tenlastelegging genoemde aankoop van goederen bij [D] en een storting op naam van [betrokkene 1], faalt deze klacht eveneens. Hetgeen de advocaat-generaal daarover ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft het hof kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ook op andere gronden was het hof tot nadere motivering van de vrijspraak op dit punt niet gehouden.