Conclusie
Vrijspraak
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep vrijgesproken van gewoontewitwassen, waarbij het hof oordeelde dat de huur en koop van twee auto's en contante stortingen op haar eigen rekening geen vermoeden van witwassen opleverden. Het hof vond slechts voor de aanschaf van meubels een vermoeden gerechtvaardigd, maar achtte de door verdachte gegeven verklaring hierover aannemelijk.
Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak. De Hoge Raad overwoog dat de feitenrechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de selectie en waardering van bewijsmateriaal, ook bij vrijspraak. Het hof had het bewijs zorgvuldig gewogen en het oordeel was niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad bevestigde dat het niet nodig is om het precieze misdrijf waaruit de goederen afkomstig zijn aan te tonen, maar dat een vermoeden van criminele herkomst moet bestaan. In deze zaak was dat vermoeden er niet voor de auto's en contante stortingen. De vrijspraak werd daarom bekrachtigd.
De uitspraak benadrukt de terughoudendheid van de cassatierechter bij het toetsen van feitenrechtelijke oordelen en bevestigt het bewijsmodel bij gewoontewitwassen. Het arrest bevat tevens een uitgebreide motivering over de bewijslastverdeling en de rol van verdachte bij het geven van een aannemelijke verklaring.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende vermoeden van witwassen bij autohuur en contante stortingen.