Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
gedurende zes maandenplaatsvindt, heeft de definitie uit de lokale rechtspraak mijn voorkeur. Door de woorden ‘bij voortduring of herhaling’ in deze definitie komt namelijk beter (dan in de rechtspraak van de Hoge Raad over aanverwante wetgeving) tot uitdrukking dat sprake is van een doorlopende toets. Ik adviseer de Hoge Raad dan ook, mede omwille van de rechtszekerheid, bij deze definitie aan te sluiten. Bij de beoordeling van de cassatiemiddelen van belanghebbende neem ik deze definitie als uitgangspunt.
cassatiemiddel. De in zijn
tweede cassatiemiddelvervatte klacht dat sprake is van een ‘ontoelaatbare verrassingsbeslissing’ van het GHvJ slaagt mijns inziens evenmin. Belanghebbendes
derde cassatiemiddelmist doel omdat uit de gedingstukken niet blijkt dat belanghebbende het GHvJ heeft aangeboden ter zake van de verzekering en/of wegenbelasting (nader) bewijs te leveren. In het oordeel van het GHvJ ligt mijns inziens besloten dat belanghebbende zich niet, ter bevrediging van zijn behoefte aan een auto, gedurende de zesmaandentermijn bij voortduring of bij herhaling van de auto heeft bediend. Dat oordeel getuigt mijns niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is voorts voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het
vierdeen
vijfde cassatiemiddelfalen daarom ook.
Oldsmobile Cutlass Supreme Convertible, bouwjaar 1994 (de auto) gekocht met het oog op de verhuizing naar Aruba. Op 20 oktober 2010 is de auto op zijn naam gezet. De auto heeft van 30 september 2010 tot 5 mei 2011 opgeslagen gestaan bij
[C]in Canada en is op of omstreeks 30 juli 2011 vanuit Miami verscheept naar Aruba.
[C]op naam van belanghebbende die met betrekking tot de auto onder meer vermeldt: “Description STORAGE FROM SEPT. 30,2010 TO MAY 05,2011”.
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat artikel 7, lid 2, van het Vrijstellingenbesluit het verzekerd hebben gehad van een motorvoertuig als verhuisboedelobject niet als vereiste stelt.
tweede cassatiemiddelaan dat sprake is van een ontoelaatbare ‘verrassingsbeslissing’ en daarmee van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Uit het vertoogschrift bij het GHvJ blijkt niet dat de Inspecteur voor het GHvJ heeft aangevoerd dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto vanaf het moment van de aankoop verzekerd was voor gebruik op de weg en/of dat een dergelijk vereiste is verwoord in artikel 7, lid 2, van het Vrijstellingenbesluit. Door de verzekering niettemin in zijn oordeel te betrekken, is het GHvJ naar het oordeel van belanghebbende buiten de grenzen van het geschil getreden en kon het GHvJ niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, tot zijn oordeel komen.
derde cassatiemiddelbetoogt belanghebbende dat het GHvJ hem ten onrechte niet om opheldering heeft gevraagd ter zake van verzekering en/of wegenbelasting van de auto respectievelijk dat het GHvJ hem ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden (nader) bewijs ter zake te leveren.
vierde cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat het oordeel van het GHvJ onvoldoende is gemotiveerd. Zijn stelling in zijn schrijven van 19 september 2011 (zie onderdeel 2.2 van deze conclusie) dat de auto, een cabriolet, in de koude (winter)maanden was opgeslagen, en voor die maanden een autoverzekering onnodig was, is niet strijdig met het door belanghebbende in de feitelijke instanties en thans in cassatie ingenomen standpunt. Uit de door hem overgelegde getuigenverklaringen volgt dat de auto in gebruik was in zijn vroegere normale woonplaats. Verondersteld kan worden dat men in een land als Canada een auto niet zonder verzekering in gebruik kan hebben.
vijfde cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat het onbegrijpelijk is dat het GHvJ de bewijslast bij belanghebbende legt. Belanghebbende betoogt dat uit de stukken gehecht aan de pleitnota die hij ter zitting van het GHvJ heeft overgelegd (die ik overigens in het dossier van het GHvJ niet heb kunnen terugvinden) en in ieder geval uit bijlage 1 van het vertoogschrift [11] (de ‘vehicle purchase agreement’) blijkt dat het kennummer van het verzekeringsbewijs is vermeld. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat men onder de wetten van Ontario Canada geen auto bij een dealer kan ophalen zonder deugdelijke verzekering en nummerplaten, terwijl nummerplaten niet kunnen worden verkregen zonder verzekering.
5.Toepassing verhuisboedelvrijstelling
gebruikt. Dat is voldaan aan de bezits- en eigendomseis is evenmin in geschil en volgt bovendien uit de feitelijke vaststelling van het GHvJ dat belanghebbende de auto op 18 oktober 2010 heeft gekocht en dat deze op 20 oktober 2010 op zijn naam is gezet.
sporen van gebruik vertonen. Goederen die zich nog in de verpakking bevinden of waarvan duidelijk is dat deze niet zijn gebruikt, komen niet voor de vrijstelling in aanmerking. Voorbeelden van persoonlijke goederen zijn goederen die behoren tot de inboedel van een natuurlijk persoon, zoals televisies, radio’s, kleding en meubelen, alsmede fietsen, motorvoertuigen (waaronder personenauto’s), pleziervaartuigen en sportvliegtuigen. Persoonlijke goederen mogen door hun aard of hoeveelheid geen commerciële bijbedoeling hebben..”
RvBB nr. 1996/005 [26] gaat het om een personenauto die op het moment van invoer 151 mijl (243 kilometer) op de teller heeft staan. Onder verwijzing naar het ‘vaste criterium’ voor de beantwoording van de vraag of sprake is van het vereiste gebruik in het buitenland oordeelt de RvBB (zitting houdende in Aruba) (cursivering van mijn hand):
Van gebruik in deze zin kan slechts worden gesproken indien appellant - ter bevrediging aan zijn behoefte aan een personenauto - zich bij voortduring of bij herhaling van de auto zou hebben bediend; vgl. RBB 2 maart 1992, nr. 1991/16, FED 1993/693.
RvBB nr. 1995/078 [28] heeft de desbetreffende belanghebbende gemiddeld 12 kilometer per dag in de betreffende personenauto gereden. Ten tijde van de aankoop van de personenauto heeft de belanghebbende nog geen rijbewijs en de personenauto is niet de gehele periode verzekerd geweest alvorens deze wordt ingevoerd in Aruba. De RvBB (zitting houdende in Aruba) oordeelt onder verwijzing naar het ‘vaste criterium’ dat onder deze omstandigheden geen sprake is van gebruik:
RvBB nr. 1991/16 [29] . Deze zaak betreft een personenauto die in Duitsland is aangekocht en vanuit Nederland naar Curaçao is verscheept. De vraag of ter zake van de invoer van die auto invoerrecht is verschuldigd, beantwoordt de RvBB (zitting houdende op Curaçao) als volgt:
RvBB nr. 1999/219 [30] is het aantal malen dat de desbetreffende belanghebbende na de levering in zijn auto heeft gereden beperkt geweest en gaat het om betrekkelijk korte ritten. Na het beperkte gebruik, in de zomermaanden van 1998, is tot medio december 1998 niet meer in de auto gereden. In mei 1998 heeft de belanghebbende naar hij stelt zijn hoofdverblijf overgebracht. Naar het oordeel van de RvBB heeft de belanghebbende op grond van deze feiten niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn auto ten minste zes maanden vóór de overbrenging van zijn hoofdverblijf heeft gebruikt. Het oordeel luidt als volgt:
RvBB nr. 2000/245 [32] zijn twee personenauto’s als verhuisboedel overgebracht van Florida (USA) naar Curaçao, die samen voorafgaand aan de overbrenging nog geen 100 mijl (zo’n 161 kilometer) hebben gereden en in een garage in Florida zijn bewaard om diefstal en aanrijdingen te voorkomen. De RvBB (zitting houdende op Curaçao) oordeelt dat de belanghebbende, gelet op de zeer korte in de Verenigde Staten gereden afstanden, de personenauto’s in zijn voormalige verblijfplaats niet in gebruik heeft gehad en dus geen recht heeft op de verhuisboedelvrijstelling. Daartoe overweegt de RvBB(zitting houdende op Curaçao):
RvBB nr. 2002/245, waardoor weinig kilometers met die auto’s zijn gereden, bij aan het oordeel dat geen sprake is van gebruik in de zin van de vrijstellingsbepaling. In
RvBB nr. 2002/245zijn de personenauto’s ook vlak voor de overbrenging van het hoofdverblijf aangeschaft (de auto’s zijn op 4 november 1999 gekocht en in juni 2000 heeft de belanghebbende zijn hoofdverblijf verplaatst).
RvBB nr. 2009/0195 [34] . In die zaak gaat het om de invoer van een motor vanuit Nederland in Curaçao in december 2008. Op 5 september 2008 is de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst omdat de desbetreffende belanghebbenden jaarlijks van medio september tot medio maart in verband met het weer in Nederland niet met de motor pleegden te rijden. De inspecteur stelt dat voorafgaand aan de datum van inscheping van de motor in december 2008 geen sprake is geweest van onafgebroken gebruik in de zin van artikel 35 van Pro de Landsverordening tarief van invoerrechten [35] . De RvBB (zitting houdende op Curaçao) oordeelt dat wel sprake is van gebruik en dat het schorsen van de geldigheid van het kentekenbewijs tijdens de herfst en winter hoort bij het normale gebruik van een motor:
RvBB nr. 2009/0195enkele jaren voor de overbrenging is aangeschaft en in gebruik was, ieder jaar de geldigheid van het kentekenbewijs is geschorst en tijdens de schorsing onderhoud aan de motor werd gepleegd. Wellicht heeft het GEA in de onderhavige zaak bovenstaande uitspraak in ogenschouw genomen bij zijn oordeel dat het incidentele gebruik vanuit de opslag niet kan worden aangemerkt als ‘normaal gebruik’ zoals is vereist voor de toepassing van de vrijstelling. Dit criterium van ‘normaal gebruik’ komt in de overige hiervoor besproken rechtspraak niet voor. Opvallend is dat zowel het GEA als het GHvJ in de uitspraken over de onderhavige zaak niet naar het ‘vaste criterium’ verwijzen dat van gebruik slechts kan worden gesproken indien de belanghebbende ter bevrediging van zijn behoefte aan een auto zich bij voortduring of bij herhaling van de auto heeft bediend.
Solar Electric Martinique [39] en de aldaar aangehaalde rechtspraak, waarin het HvJ dit als volgt verwoordt (cursivering van mijn hand):
op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk zijn gemaaktop dergelijke situaties om een gelijke behandeling te verzekeren van deze situaties en situaties die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Cicala, C‑482/10, EU:C:2012:868, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
Laimonis Treimanis [42] wel geoordeeld dat het doel van Verordening nr. 1186/2009 is de vestiging van de nieuwe verblijfplaats in de lidstaat en het werk van de douanediensten van de lidstaten te vergemakkelijken. Het HvJ heeft voorts geoordeeld dat de belasting van goederen bij invoer in bepaalde welomschreven omstandigheden niet gerechtvaardigd is, wanneer de bijzondere omstandigheden bij de invoer van de goederen de toepassing van de gebruikelijke maatregelen ter bescherming van de economie niet vereisen. Hiertoe overweegt het HvJ als volgt:
Feron [43] , over de achtergrond van artikel 3 van Pro Verordening nr. 918/83, het volgende op:
Tariefcommissie UTC 1992/22 [46] heeft de desbetreffende belanghebbende haar normale verblijfplaats overgebracht van Tanzania naar Nederland. Bijna een jaar eerder heeft zij in de Verenigde Staten van Amerika (VS) een computer en een printer besteld. De producten zijn in november 1988 vanuit de VS naar Tanzania verzonden, maar zijn daar nooit aangekomen. De belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan het vereiste van ‘gebruik’ geen zelfstandige betekenis toekomt naast het bezitsvereiste. De Tariefcommissie gaat daarin niet mee. De Tariefcommissie oordeelt dat aan de
twee wezenlijke voorwaardenvoor toepassing van de vrijstelling – bezit en gebruik – niet is voldaan, omdat de goederen belanghebbende nimmer hebben bereikt. Het gerechtshof Amsterdam komt in 2008 tot een vergelijkbaar oordeel [47] :
Tariefcommissie UTC 1998/8 [48] oordeelt de Tariefcommissie niet over de uitleg van het begrip ‘gebruikt’ zelf, maar over de dag dat de zesmaandentermijn voor bezit en gebruik aanvangt. Volgens de Tariefcommissie is dat de dag dat het desbetreffende goed wordt geleverd.
Tariefcommissie UTC 2001/53 [49] betreft een geval dat de belanghebbende op 1 maart 1999 een personenauto heeft aangeschaft in Dubai. Na de aanschaf heeft de belanghebbende haar normale verblijfplaats overgebracht van Dubai naar Nederland. Wanneer die overbrenging precies heeft plaatsgevonden kan volgens de Tariefcommissie in het midden blijven, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de personenauto gedurende zes maanden in gebruik is geweest bij de belanghebbende. De Tariefcommissie neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de auto vanaf 31 juli 1999 niet meer verzekerd is geweest en er op die datum een exportcertificaat is afgegeven.
gebruiktepersonenauto’s,
gebruiktemotorrijwielen of
gebruiktebestelauto’s het bedrag aan belasting wordt berekend met inachtneming van een vermindering, heeft de Hoge Raad uitleg gegeven aan het begrip ‘gebruikt(e)’.
HR BNB 2017/69 [51] betreft personenauto’s waarvan ten tijde van het voldoen van bpm op aangifte de kilometerstanden variëren van 6 tot 39, waarbij de meeste auto’s minder dan 10 kilometer hebben gereden. Een van de auto’s heeft een kilometerstand van 84. De auto’s vertonen geen sporen van gebruik of beschadiging. In geschil is of het om gebruikte auto’s gaat in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet bpm. De Hoge Raad oordeelt dat de Wet bpm “voor de berekening van de verschuldigde bpm onderscheid maakt tussen een nieuwe personenauto en een gebruikte personenauto”. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, “dat onder een nieuwe personenauto moet worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Een personenauto die niet als een nieuwe personenauto in voormelde zin kan worden aangemerkt, moet daarom (…) als een gebruikte personenauto in de zin van de Wet [CE: Wet bpm] worden aangemerkt”. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat de feiten geen andere conclusie toelaten dan dat de auto’s na de vervaardiging niet of nauwelijks zijn gebruikt. Dat dus niet meer dan 6 tot 39 kilometer, en in een enkel geval 84 kilometer, met de auto’s was gereden, draagt aldus bij aan het oordeel dat geen sprake is van ‘gebruikte’ auto’s.
HR BNB 2009/26 [52] over de heffing van omzetbelasting inzake (onder meer) de ingebruikneming van zogenoemde duo-containers en andere zaken, gekocht met het oogmerk die te gaan gebruiken voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, door een gemeente. Het gerechtshof Arnhem [53] heeft geoordeeld dat het uitzetten van de duo-containers en het aanpassen en vervolgens testen van een aantal zaken om deze klaar te maken voor het beoogde gebruik als ingebruikneming van de zaken dient te worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelt over het gebruik als volgt (cursivering CE):
Een belanghebbende neemt door hem aangeschafte zaken in gebruik in de zin van de Wet zodra hij deze feitelijk gaat bezigen en niet reeds door het (testen voor het) klaarmaken voor gebruik. Indien het Hof heeft bedoeld te oordelen dat belanghebbende deze zaken vóór 12 april 1994 feitelijk is gaan bezigen, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu het Hof geen andere gronden voor zijn oordeel heeft vermeld dan dat belanghebbende deze heeft getest om deze klaar te maken voor het beoogde gebruik.
mogelijkheidvan gebruik aanwezig moet zijn, welke mogelijkheid bij de opslag van een auto ontbreekt als niet (zonder meer) kan worden beschikt over de auto. De vraag rijst of de conclusie anders luidt, indien een belanghebbende zijn auto niet naar een opslagplaats brengt, doch deze in een garage bij zijn eigen huis parkeert. Hij heeft dan in beginsel de mogelijkheid op elk moment over de auto te beschikken. Is die enkele mogelijkheid tot gebruik voldoende om ‘gebruik’ aan te nemen of moet ook daadwerkelijk van die mogelijkheid gebruik worden gemaakt? Vereist het begrip ‘gebruikt’ met andere woorden een actieve vorm van gebruik dan wel een bepaalde inspanning zoals bij het feitelijk bezigen in
HR BNB 2009/26? [54] Het enkele testen en klaarmaken voor gebruik wordt in dat arrest onvoldoende geacht om te kunnen spreken van gebruik. Indien dit oordeel wordt doorgetrokken naar personenauto’s, rijst de vraag of bij het sleutelen aan een auto om deze rijklaar te maken of op te knappen kan worden gesproken van gebruik. Ik meen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De functie van een auto is immers primair het vervoeren van personen. Gebruik van een auto impliceert dus dat ermee wordt gereden. Belanghebbende had, voor zover ik begrijp, de mogelijkheid de auto uit de opslag te halen en ermee te rijden, maar deed dat gelet op een drietal verklaringen maar een enkele keer. Als koude wintermaanden beletten om van de auto gebruik te maken, omdat het type auto (een cabriolet) niet geschikt is om in de wintermaanden te rijden, wordt dan niet meer aan het criterium voldaan? Is voor de zesmaandentermijn met andere woorden vereist dat sprake is van
onafgebrokengebruik?
gedurendezes maanden door te eisen dat het gebruik voortdurend of herhaaldelijk is. Gelet op het doel van de verhuisboedelvrijstelling om alleen goederen vrij te stellen die daadwerkelijk binnen het huishouden van een belanghebbende zijn gebruikt en niet slechts zijn aangeschaft met het oog op een emigratie, acht ik dat een juist uitgangspunt.
gedurende zes maandenplaatsvindt, heeft de definitie uit de lokale rechtspraak mijn voorkeur. Door de woorden ‘bij voortduring of herhaling’ in deze definitie komt namelijk beter (dan in de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad over aanverwante wetgeving) tot uitdrukking dat sprake is van een doorlopende toets. Ik adviseer de Hoge Raad dan ook, mede omwille van de rechtszekerheid, bij deze definitie aan te sluiten. Bij de beoordeling van de cassatiemiddelen van belanghebbende neem ik deze definitie als uitgangspunt.
eerste cassatiemiddelaan dat artikel 7, lid 2, van het Vrijstellingenbesluit het verzekerd hebben gehad van een motorvoertuig niet als vereiste stelt. Het klopt inderdaad dat artikel 7, lid 2, van het Vrijstellingenbesluit het verzekerd zijn van een motorvoertuig niet als voorwaarde noemt. Wel volgt uit deze bepaling dat het motorvoertuig in de vroegere normale verblijfplaats moet zijn gebruikt. Of aan die voorwaarde is voldaan vergt, los van de uitleg die aan het begrip ‘gebruikt’ wordt gegeven, een beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden. Het al dan niet verzekerd zijn van een motorvoertuig kan worden meegewogen bij de beoordeling of de auto is ‘gebruikt’ in de zin van de vrijstellingsbepaling. Indien een auto niet verzekerd is voor gebruik op de weg, kan met die auto immers in principe niet op de weg worden gereden (tenzij de wet wordt overtreden). Het feit dat met een auto niet kan worden gereden, betekent dat de auto niet actief kan worden gebruikt (zie onderdeel 5.38). Dat het GHvJ het al dan niet verzekerd zijn meeweegt in zijn beoordeling of de auto is gebruikt, getuigt mijns inziens dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het
eerste cassatiemiddelfaalt.
tweede cassatiemiddeldat het GHvJ buiten de grenzen van het geschil is getreden, omdat de Inspecteur niet heeft aangevoerd dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto vanaf het moment van aankoop verzekerd was voor gebruik op de weg.
tweede cassatiemiddeldat sprake is van een ‘ontoelaatbare verrassingsbeslissing’ van het GHvJ dan ook doel.
tweede cassatiemiddelkan mijns inziens derhalve niet tot cassatie leiden.
derde cassatiemiddelbetoogt belanghebbende dat het GHvJ belanghebbende ten onrechte niet om opheldering heeft gevraagd ter zake van verzekering en/of wegenbelasting van de auto respectievelijk dat het GHvJ belanghebbende ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden (nader) bewijs ter zake te leveren. Nu het in het onderhavige geval gaat om toepassing van een vrijstelling, rust de bewijslast dat de auto ten minste gedurende zes maanden voordat belanghebbende zijn normale verblijfplaats heeft overgebracht naar Aruba, bij hem in zijn vroegere normale verblijfplaats in bezit en eigendom en in gebruik waren, op belanghebbende. Het ligt dus op zijn weg relevante feiten en omstandigheden aan te dragen en, bij betwisting, aannemelijk te maken. Op de rechter rust niet de plicht zelf feiten te vergaren. Noch uit het beroepschrift bij het GHvJ noch uit de aantekeningen van de zitting van 4 oktober 2016 bij het GHvJ komt naar voren dat belanghebbende heeft aangeboden ter zake van de verzekering en/of wegenbelasting (nader) bewijs te leveren. [61] Ook het
derde cassatiemiddelmist dus doel.
vierde en vijfde cassatiemiddelbevatten klachten over het oordeel van het GHvJ dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto verzekerd is geweest. Of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto verzekerd was, vergt een beoordeling en waardering van de feiten en omstandigheden. Het beoordelen en waarderen van de feiten is voorbehouden aan (het GEA en) het GHvJ. In cassatie kan niet worden opgekomen tegen die beoordeling en waardering, tenzij de motivering ontoereikend is of het oordeel onbegrijpelijk. [62] Het
vierde cassatiemiddelziet op de motivering van het oordeel, het
vijfde cassatiemiddelop de begrijpelijkheid. Ik merk daarover het volgende op.
vierde en vijfde cassatiemiddelfalen dus ook.