Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om vrijstelling van invoerrechten voor een auto die hij meer dan zes maanden vóór zijn emigratie naar Aruba had gekocht. Hij stelde dat de auto gedurende die periode in zijn vroegere woonplaats Canada was gebruikt en verzekerd was voor gebruik op de weg.
Het Gerecht in eerste aanleg en het Gemeenschappelijk Hof oordeelden dat appellant niet voldoende bewijs heeft geleverd dat de auto daadwerkelijk gedurende de vereiste periode normaal is gebruikt. De auto stond immers opgeslagen en was volgens de stukken niet verzekerd voor gebruik op de weg. Verklaringen van kennissen die appellant incidenteel in de auto zagen rijden, werden niet als voldoende bewijs geaccepteerd.
Het Hof benadrukte dat de bewijslast bij appellant ligt en dat hij geen verzekeringsdocumenten, betalingsbewijzen of andere bewijsstukken heeft overgelegd die het gebruik van de auto gedurende de vereiste periode aannemelijk maken. Het Hof concludeerde dat het incidentele gebruik niet voldoet aan de eis van normaal gebruik zoals vereist voor de vrijstelling.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd. De uitspraak is op 21 december 2016 in het openbaar gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.