Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft beslist op het beroep van de verdediging op art. 359a, eerste lid, onder a, Sv.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd op 24 maart 2014 aangehouden wegens het niet voldoen aan een ambtelijk bevel en kort in verzekering gesteld. De raadsman voerde in hoger beroep subsidiair een beroep op strafvermindering op grond van onrechtmatige inverzekeringstelling, omdat niet voldaan was aan de wettelijke vereisten en de verdachte geen advocaatbijstand had gekregen.
Het hof heeft dit verweer niet met redenen omkleed beoordeeld, terwijl art. 359a Sv dit vereist. De Hoge Raad constateert dat het hof had moeten oordelen over dit verweer en dat het nalaten daarvan een formeel verzuim is dat tot cassatie leidt.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van het beroep, waarbij het hof verplicht is met redenen omkleed te beslissen op het beroep van strafvermindering wegens onrechtmatige inverzekeringstelling.
De zaak benadrukt het belang van een met redenen omklede beslissing bij vormverzuimen die strafvermindering kunnen rechtvaardigen en bevestigt dat onrechtmatige vrijheidsbeneming als zodanig reeds nadeel oplevert dat compensatie kan rechtvaardigen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege het niet met redenen omkleed beslissen op het beroep van strafvermindering wegens onrechtmatige inverzekeringstelling en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.