Conclusie
.
verklaardof gerechtvaardigd is te achten.” (onderstr. A-G)
verklaarbaarof gerechtvaardigd is te achten.”(onderstr. A-G)
3.Nadere analyse van de arresten
moetcontracteren en waarbij de inhoud van de overeenkomsten dientengevolge in belangrijke mate door de wederpartij kan worden gedicteerd [15] . De tweede categorie betreft, volgens de auteurs, gevallen waarin iemand door geestelijke of psychische factoren en een wederpartij die in een positie van geestelijk overwicht verkeert tot een voor hem nadelige overeenkomst wordt bewogen, terwijl hij anders in het geheel niet of in elk geval niet op de bedongen voorwaarden gecontracteerd zou hebben [16] .
Brandwijk/Brandwijkna zijn oordeel dat de economische dwangpositie waarin de ene partij zich bevindt en de nadeligheid van de overeenkomst in zijn algemeenheid nog niet het oordeel rechtvaardigt dat misbruik van omstandigheden is gemaakt, als volgt: “In een geval als het onderhavige, waarin de ene partij handelde onder invloed van een economische dwangpositie, zou voor een ander oordeel plaats kunnen zijn als zich nog andere omstandigheden dan die in het middel genoemde hadden voorgedaan, bijv. als de andere partij voor zichzelf of een derde een klaarblijkelijk onevenredig groot voordeel had bedongen. Omtrent zodanige andere omstandigheden heeft het hof echter niets vastgesteld” [27] .
5.Bespreking van het cassatiemiddel
feitenop relevante punten hebben erkend, volgt nog niet dat het hof ook van oordeel is dat Delta c.s. hebben erkend dat zij de door S’Energy gestelde
situatiedie daardoor zou zijn ontstaan (“drooglegging, afhankelijkheid en drukmiddelen”) hebben veroorzaakt. Ik lees derhalve geen tegenstrijdigheid in overweging 3.6 van het hof.
Stingel/Sietsemaimmers bepaald dat het bij de beantwoording van de vraag of misbruik is gemaakt van omstandigheden als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW Pro enkel aankomt op omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst [32] .
subonderdeel 1edat daarop voortbordurend is gericht tegen de rov. 3.7, 3.8 en 3.9 van het tussenarrest van 24 juni 2014 en rov. 2.7 van het tussenarrest van 2 juni 2015.
3.6-3.7 hebben de aangevallen overwegingen m.i. alleen betrekking op de beoordeling van misbruik van omstandigheden en kan daaraan niet een verderstrekkende betekenis worden toegekend.
subonderdeel 3awijst S’Energy op verschillende overwegingen van het hof in rov. 3.1.1, rov. 3.1.3, rov. 3.1.5, rov. 3.5., rov. 3.7, rov. 3.8 en rov. 3.10 van het tussenarrest van 24 juni 2014 en stelt zij dat genoemde overwegingen niet anders kunnen worden begrepen dan dat Delta zich wél (globaal) bewust was van de financiële noodtoestand van S’Energy, althans dat die wel voor haar kenbaar was.
aandelenpakket(curs. subonderdeel) van S’Energy in februari 2009 vertegenwoordigde.
aandelen(curs. subonderdeel), maar voor de
aandelen plus de finale kwijting(curs. subonderdeel), omdat zowel het prijsgeven van de aandelen als het verlies van de door de finale kwijting prijsgegeven vorderingen het nadeel is dat S’Energy als gevolg van misbruik van omstandigheden heeft geleden.
slechts een prijs heeft willen betalen(mijn curs.) die zakelijk gezien in redelijkheid niet verklaarbaar of gerechtvaardigd was, in de wetenschap dat S’Energy op dat moment klem zat. Of de prijs in redelijkheid zakelijk onverklaarbaar of niet gerechtvaardigd was, moet worden beoordeeld, na deskundigenbericht, aan de hand van het verschil tussen prijs en de waarde die het aandelenpakket van S’Energy in februari 2009 vertegenwoordigde. Dit betreft dus de door het hof gekozen benaderingswijze.
slechts relevant isof de door Delta als gevolg van de vaststellingsovereenkomst betaalde prijs van € 32 miljoen onverklaarbaar veel lager is dan de waarde die het aandelenpakket in februari 2009 vertegenwoordigde. In dergelijke bewoordingen heeft het hof zich niet uitgedrukt.
subonderdeel 6cis de weigering van de akte onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat de oorspronkelijke akte volledig voldeed aan hetgeen het hof partijen had verzocht in rov. 3.11 van het tussenarrest van 24 juni 2014. In dat kader wijst S’Energy erop dat het hof dan wel de rolraadsheer de akte van Delta c.s., welke akte zag op andere onderwerpen dan waartoe het hof partijen had toegelaten zich uit te laten, niet aan dezelfde maatstaven heeft getoetst.
Heep/Heepgeoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod van art. 134 (oud) Rv (thans art. 130 lid 2 Rv Pro) ten aanzien van de beslissing op verzet tegen verandering of vermeerdering van eis niet kan worden doorbroken omdat de beslissing wordt gekenmerkt door een marginale toetsing en deze beslissing niet definitief is zodat eiser dus ook geen rechten wordt ontnomen [40] .
subonderdeel 6amerk ik op dat de klacht feitelijke grondslag mist, nu de rolraadsheer in zijn beslissing van 29 september 2014 onder 1.2 heeft overwogen dat S’Energy heeft verzocht een akte te mogen nemen, en niet dat S’Energy ter rolle een akte heeft genomen. Een afschrift van het roljournaal waaruit het door S’Energy gestelde zou blijken is niet bijgevoegd.
subonderdeel 6dheeft tot slot het volgende te gelden.