Conclusie
1.Feiten en procesverloop
fair balancedient te worden bereikt tussen de ‘demands of the general interest of the community and requirements of the protection of the individual’s fundamental rights’. Nu sprake is van een (
de facto) ontneming van eigendom, namelijk de ontneming van de ondernemingen die de nertsenhouders drijven, dient volledige compensatie van de schade plaats te vinden. Ook als slechts sprake zou zijn van een regulering van eigendom is niet voldaan aan het vereiste van een
fair balance. De nertsenhouders kunnen gedurende deze termijn niet afbouwen of ombouwen; er is slechts sprake van uitstel van executie. Op 1 januari 2024 gaat de waarde van de onderneming volledig teniet. Bovendien zal ook tijdens de termijn nog moeten worden geïnvesteerd. Het is onzeker of de termijn een adequate vergoeding biedt voor de schade. Integendeel, juist tijdens de termijn lijden de nertsenhouders al aanzienlijke schade door het ontbreken van continuïteitsperspectief, uitstroom van mensen en middelen, schaalverkleiningseffecten, de bestaande investeringsverplichtingen in dierenwelzijn en de onmogelijkheid van overschakelen op alternatieve activiteiten. NFE c.s. hebben een en ander nog onderbouwd met rapporten van KPMG en ECORYS waarin onder meer aan de hand van de zogeheten
Discounted Cash Flow-methode (berekening van de actuele waarde van toekomstige vrije kasstromen, hierna: DCF-methode) wordt berekend dat de sector omvangrijke schade lijdt zowel tijdens de overgangstermijn als daarna. [34] De Staat heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
fair balanceen dat daarmee de in de Wet neergelegde maatregelen disproportioneel en in strijd met art. 1 EP Pro zijn (rov. 4.17).
grief I). De rechtbank heeft miskend dat de Wet slechts één reguleringsmaatregel bevat en dat deze maatregel plaatsvindt op het moment van inwerkingtreding van de wet. De rechtbank lijkt bovendien ten onrechte aan de zwaarte van de regulering het gevolg te verbinden dat een overgangsmaatregel niet meer toereikend is (
grief II). De rechtbank heeft miskend dat de
fair balance-toets moet plaatsvinden op twee niveaus, namelijk op het niveau van de sector als geheel (dus op wetgevingsniveau) en op het niveau van de individuele nertsenhouders. In dit verband heeft de rechtbank ten onrechte bij de toets op het niveau van de sector als geheel elementen betrokken die thuishoren bij de proportionaliteitstoets op individueel niveau (bijv. mogelijke ziekte van de nertsenhouder) (
grief III). Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de overgangstermijn uit de aard der zaak geen compensatie kan vormen en dat na de overgangsperiode waarschijnlijk nog nadeel zal resteren voor de bestaande Nertsenhouders. Ook hebben NFE c.s. niet gesteld dat sprake is van een individuele en excessieve last. Aan de door NFE c.s. overgelegde rapporten hebben NFE c.s. geen conclusies verbonden. Ten onrechte heeft de rechtbank de flankerende maatregelen niet meegewogen in haar oordeel, terwijl deze wel als vorm van compensatie kunnen gelden. Bovendien zijn deze maatregelen ondertussen verder uitgewerkt. Het is feitelijk onjuist dat te zijner tijd geen stakingswinst zal resulteren, zodat ook de suggestie dat de verruimde fiscale herinvesteringsreserve ‘een leeg ei’ zou zijn, onjuist is. Het door NFE c.s. overgelegde rapport van KPMG gaat er ten onrechte vanuit dat de nertsenhouders zowel tijdens de overgangstermijn als daarna schade oplopen. Voor een zuivere beoordeling van de Wet dient ervan te worden uitgegaan dat de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt op 15 januari 2013 (en dus niet gedurende de overgangstermijn en na 1 januari 2024) en dat de overgangstermijn compensatie biedt voor die schade. De door KPMG gehanteerde DCF-methode is bovendien niet geschikt in het geval van overheidsregulering. Een meer voor de hand liggende methode zou de in de nadeelcompensatie gebruikelijk ‘gederfde winst’-methode zijn. KPMG maakt bovendien ten onrechte de geprognosticeerde toekomstige vrije kasstromen contant naar 1 januari 2024 (i.p.v. 15 januari 2013), gaat er ten onrechte vanuit dat 70% van de Nertsenhouders zal stoppen gedurende de overgangstermijn en miskent dat er bij het beëindigen van bedrijfsactiviteiten eenmalige kasstromen vrijkomen (stakingswinst) (
grief IV). Aangenomen dat de peildatum voor de berekening van de financiële gevolgen 15 januari 2013 is en de ‘gederfde winst’-methode wordt gehanteerd en rekening wordt gehouden met de overgangstermijn, is geen sprake van onevenredige schade en dus ook niet van een schending van de
fair balance(
grief V). De Staat heeft een en ander onderbouwd met een rapport van Price Waterhouse Coopers van 1 december 2014. [35]
fair balanceis getroffen (rov. 3.16). Ook heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank de flankerende maatregelen ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten bij de beantwoording van de vraag of een
fair balanceis getroffen (rov. 3.18-3.20). Bij het beantwoorden van die vraag heeft het hof vooropgesteld dat goodwill en toekomstige inkomsten van de Nertsenhouders niet in de afweging worden betrokken nu zij niet onder de bescherming van art. 1 EP Pro vallen. Bovendien is het hof van oordeel dat de Nertsenhouders vanaf 1999 (toen de motie Swildens-Rozendaal werd aangenomen) en in ieder geval vanaf het indienen van het initiatiefwetsvoorstel in 2006, rekening moesten houden met de mogelijkheid dat het houden van nertsen zou worden verboden. Gezien de lange termijn die de nertsenhouders tot 15 januari 2013 hebben gehad – en nog tot 1 januari 2024 zullen hebben – om zich op de ontwikkelingen in te stellen, gaat het hof ervan uit dat de nertsenhouders kunnen omschakelen naar andere sectoren. Het hof heeft ook in aanmerking genomen dat de overgangstermijn de nertsenhouders in staat stelt om, in ieder geval grotendeels, de investeringen, die op grond van de PPE-Verordening zijn gedaan, terug te verdienen (rov. 4.1-4.5). Het hof heeft geconcludeerd dat de inbreuk op de eigendommen van de nertsenhouders proportioneel is en dat alles bij elkaar genomen niet is gebleken dat een
fair balanceontbreekt (rov. 4.8). Meer in het bijzonder is niet vast komen te staan dat de nertsenhouders als gevolg van de Wet een individuele en excessieve last hebben te dragen. De individuele Nertsenhouders (dus de nertsenhouders in onderhavige procedure) hebben bovendien niet voldoende gesteld dat in hun afzonderlijke gevallen sprake is van een individuele en excessieve last. Nog daargelaten dat toekomstige inkomsten niet worden beschermd door art. 1 EP Pro, miskennen de individuele Nertsenhouders dat de vraag of schade een individuele en excessieve last is, afhankelijk is van tal van omstandigheden, zoals de winstgevendheid en de vermogenspositie van de individuele nertsenhouder (rov. 4.9).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
fair balance-toets door het hof.
Subonderdeel 1.1(verder uiteenvallend in de onderdelen 1.1.1-1.1.5) klaagt kort gezegd dat het oordeel van het hof dat de waarde van een onderneming, voor zover deze is ontleend aan toekomstige inkomsten of vrije kasstromen, niet onder de bescherming van art. 1 EP Pro valt – ervan uitgaande dat het hof de rechtspraak van het EHRM juist heeft geduid –, desalniettemin in strijd komt met art. 1 EP Pro in verbinding met art. 14 EVRM Pro. Het onderdeel verlangt dat de Hoge Raad aan art. 1 EP Pro een verdergaande bescherming toekent dan het EHRM op dit punt doet. Daartoe voert het onderdeel (in de onderdelen 1.1.1-1.1.5) het volgende aan. Als uitgangspunt geldt dat ondernemingen als zodanig worden beschermd door art. 1 EP Pro. Met dat uitgangspunt is niet verenigbaar dat de waarde van ondernemingen of de goodwill van bescherming is uitgesloten, indien die waarde berust op het vermogen van de onderneming om toekomstige overwinsten te genereren. Arresten zoals EHRM 25 januari 2000, nr. 37683/97 (Ian Edgar (Liverpool) Ltd/Verenigd Koninkrijk) en EHRM 13 maart 2012, nr. 23780/08 (Malik/Verenigd Koninkrijk) staan op gespannen voet met andere arresten van het EHRM waarin is bepaald dat de waarde van professionele praktijken en ondernemingen, en de verdiencapaciteit die besloten ligt in bestaande bedrijfsmiddelen en goodwill in de vorm van een klantenbestand, voor bescherming op grond van art. 1 EP Pro in aanmerking komen. De uitsluiting van een waardebepaling op de grondslag van een bestaand vermogen van de onderneming om in de toekomst voldoende waarschijnlijke winsten te genereren is onhanteerbaar, omdat de waarde van ondernemingen en de goodwill uitsluitend op die grondslag kan worden vastgesteld. Een dergelijke uitsluiting heeft een arbitrair karakter en leidt, in strijd met art. 14 EVRM Pro, tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De goodwill van beroepspraktijken van bijvoorbeeld advocaten en medici, voor zover deze tot uitdrukking komt in een klantenbestand, heeft immers een waarde die uiteindelijk berust op het vermogen om met die praktijk en het klantenbestand in de toekomst overwinsten te genereren. In dit licht dient de maatstaf zo te worden aangepast dat ook bestaande en voldoende bepaalbare en zekere waarde van (de goodwill van) een onderneming, voor zover die berust op het vermogen voldoende waarschijnlijke toekomstige overwinsten te genereren, door art. 1 EP Pro wordt beschermd. Een dergelijke uitleg van art. 1 EP Pro zou ook aansluiten bij de heersende opvattingen en de gangbare praktijk in het internationaal investeringsrecht. Het onderdeel betoogt dat bezwaarlijk kan worden aanvaard dat buitenlandse investeerders in de verdragsluitende staten bij het EVRM een ruimere mate van bescherming zouden genieten dan (andere) ingezetenen die onder de bescherming van het EVRM vallen, zodat het daarom in de rede ligt – zo nodig mede op grond van de verwijzing in art. 1 EP Pro, tweede volzin, naar de algemene beginselen van internationaal recht en/of art. 14 EVRM Pro – de consistente lijn in het internationale investeringsrecht in aanmerking te nemen bij de uitleg van art. 1 EP Pro, aldus het onderdeel.
possessions,welke uitleg zou leiden tot een verdergaande bescherming dan mag worden aangenomen op grond van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot die bepaling. Voor een goed begrip citeer ik art. 1 EP Pro (in de Engelse authentieke tekst):
wide margin of appreciationtoekent, omdat in dergelijke zaken de nationale autoriteiten beter zijn toegerust om nationale opvattingen en omstandigheden af te wegen. [44] In zijn uitspraak van 19 februari 2009, nr. 3455/05 (A. e.a./Verenigd Koninkrijk) oordeelde de Grote Kamer van het EHRM bovendien dat:
margin of appreciation. Het Hof laat hen de ruimte om, rekening houdend met bijzondere nationale omstandigheden en opvattingen, strenger te toetsen (hetgeen overigens, zo merk ik reeds op, nog niet betekent dat ook een ruimere uitleg van het begrip
possessionszou kunnen worden gegeven). Wat hiervan ook zij, voor zover de nationale rechter de mogelijkheid zou hebben om aan rechtszoekenden een verdergaande bescherming te verlenen, dient te worden bezien of de Grondwet een dergelijke ruimere bescherming toelaat. [45] In zijn arresten van 10 augustus 2001 [46] en 22 november 2013 [47] heeft de Hoge Raad overwogen dat art. 53 EVRM Pro aan de nationale wetgever de vrijheid laat om een verdergaande bescherming te bieden dan de bepalingen van het EVRM geven. Uit het bepaalde in de Grondwet, in het bijzonder uit art. 94, vloeit echter voort dat de Nederlandse rechter bepalingen uit een wet in formele zin slechts buiten toepassing mag laten indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van een of meer verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. De Nederlandse rechter kan een zodanige onverenigbaarheid niet aannemen op basis van een uitleg van een bepaling van het EVRM – al dan niet aansluitend bij de heersende opvattingen en de gangbare praktijk in het internationaal investeringsrecht – die zou leiden tot een verdergaande bescherming dan mag worden aangenomen op grond van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot die bepaling. [48]
James e.a./Verenigd Koninkrijk [49] heeft het EHRM immers beslist dat de genoemde algemene beginselen niet van toepassing zijn bij onteigening van personen die de nationaliteit hebben van de onteigenende verdragsstaat. Een persoon die niet de nationaliteit heeft van de onteigenende verdragsstaat zou, in het kader van de toetsing van die onteigening aan art. 1 EP Pro door de nationale rechter of het EHRM, wel een beroep kunnen doen op deze algemene beginselen. Voor deze bijzondere rechtsbescherming bestaat volgens het Hof (par. 63) een objectieve en redelijke rechtvaardiging (‘objective and reasonable justification’). Dat in het kader van de onderhavige zaak met het oog op toetsing van de Wet enige persoon ten opzichte van anderen een dergelijke bijzondere rechtsbescherming heeft genoten of zal kunnen genieten, is door NFE c.s. overigens niet gesteld. Daarnaast kan erop worden gewezen dat het internationaal investeringsrecht, in ieder geval voor de vraag wanneer sprake is van een onteigening, geen eenvormig recht is waarbij zonder meer kan worden aangesloten. [50] Het middel (onderdeel 1.1.4) doet een beroep op het algemeen erkende principe in het internationaal investeringsrecht dat bij onteigening sprake moet zijn van ‘onmiddellijke, voldoende en effectieve’ schadevergoeding gebaseerd op de
fair market valuevan hetgeen onteigend is (eventueel berekend aan de hand van de DCF-Methode). De wijze van berekening van de te compenseren schade is echter niet zonder meer bepalend voor de vraag welke eigendommen als zodanig onder de bescherming van het EVRM vallen (respectievelijk voor de vraag welke investeringen onder de bescherming van het internationaal investeringsrecht vallen). In het kader van art. 1 EP Pro geldt de eis dat bij onteigening compensatie wordt geboden die redelijk gerelateerd is aan de waarde van het onteigende. Het komt mij voor dat niet is uitgesloten dat in bepaalde gevallen bij de berekening van de te compenseren schade moet worden uitgegaan van de DCF-methode of van een methode die daarmee vergelijkbaar is, hetgeen echter op zichzelf niet betekent dat de actuele waarde van de toekomstige vrije kasstromen van een onderneming als eigendom in de zin van art. 1 EP Pro moet worden aangemerkt. Overigens is naar mijn mening in het onderhavige geval geen sprake van onteigening, maar van regulering van eigendom (zie de bespreking van onderdeel 2, hierna onder 2.23 e.v.).
Marckx/Belgiëoordeelde het EHRM dat art. 1 EP Pro ‘is in substance guaranteeing the right of property’. [52] De termen zijn dus zowel in het Engels als in het Frans synoniem en hebben een eigen en autonome betekenis die niet afhankelijk is van hun betekenis in het nationale recht. Het gaat dan ook niet slechts om eigendom van fysieke zaken, maar – aldus het EHRM – ‘certain other rights and interests constituting assets can also be regarded as ‘property rights’, and thus as ‘possessions’ for the purpose of this provision (P1-1)’. [53]
’, aldus het EHRM
. [54] Art. 1 EP Pro houdt derhalve geen recht in om inkomsten te verwerven, terwijl evenmin de enkele hoop of verwachting op toekomstige inkomsten door art. 1 EP Pro wordt beschermd. [55] Toekomstige inkomsten worden alleen aangemerkt als ‘possession’ wanneer zij reeds zijn verdiend of wanneer daarop een rechtens afdwingbare aanspraak bestaat. [56]
König/Duitsland [58] kwam de intrekking van de bevoegdheid van Dr. König om geneeskundige handelingen te verrichten aan de orde. De vraag rees of deze medische bevoegdheid en de bevoegdheid om een privé kliniek te leiden ‘civil rights’ in de zin van art. 6 EVRM Pro waren. Het Hof was van oordeel dat, kort gezegd, sprake was van schending van art. 6 EVRM Pro. De uitspraak heeft geen betrekking op goodwill. Wel heeft de Nederlandse rechter Wiarda in zijn ‘separate opinion’, waarin hij in het algemeen instemt met de uitspraak van het Hof, het volgende opgemerkt en daarin aandacht geschonken aan goodwill:
Batelaan & Huiges/Nederland [59] heeft de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens geoordeeld over het intrekken van een vergunning voor het houden van een apotheek aan huis van een huisarts. De betrokken huisartsen klaagden over een disproportioneel verlies aan de goodwillwaarde van hun huisartspraktijken. De Commissie was van oordeel dat het intrekken van de desbetreffende vergunningen in overeenstemming met het toepasselijke recht geen aantasting van eigendom in de zin van art. 1 EP Pro betekende. Over de vermindering van de goodwillwaarde van hun praktijk overwoog de Commissie:
Van Marle e.a./Nederland, die betrekking had op de weigering om Van Marle c.s. als accountants te registreren, heeft het EHRM geoordeeld dat (par. 41-42):
Tre Traktörer Aktiebolag/Zweden [61] , waarin het ging om de intrekking van de drankvergunning van een restaurant (‘Le Cardinal’), heeft het Hof als volgt geoordeeld (par. 53):
Fredin/Zweden [62] kwam de intrekking van een vergunning aan de orde. Ditmaal betrof het de intrekking van een vergunning om een grindmijn te exploiteren. Het Hof heeft onder verwijzing naar zijn uitspraak in
Tre Traktörer Aktiebolag/Zwedenhet volgende overwogen (par. 40):
Wendenburg e.a./Duitsland [63] ging het om het verlies van het exclusieve recht van advocaten om te mogen procederen voor Duitse gerechtshoven en werd geklaagd over het verlies van toekomstig inkomen. Het Hof heeft als volgt geoordeeld:
Ian Edgar (Liverpool) Ltd./Verenigd Koninkrijk [64] betrof het een wet waarin onder andere de verkoop van bepaalde vuurwapens werd verboden. Het Hof heeft overwogen dat goodwill, als element in de waardering van een beroepspraktijk, voor bescherming in aanmerking komt, maar toekomstige inkomsten niet. Het Hof heeft als volgt overwogen:
Malik/Verenigd Koninkrijk. [65] In deze zaak ging het om de schorsing van Malik van de lijst van
medical performersdie medische diensten konden verrichten voor de
National Health Service. Het Hof merkt op dat de intrekking van de vergunning een inmenging kan opleveren in het eigendomsrecht als bedoeld in art. 1 EP Pro, namelijk in het economische belang in de onderneming die op grond van die vergunning wordt uitgeoefend (par. 89-91). Daarentegen kon de plaatsing op de lijst van ‘medical performers’ als zodanig niet worden aangemerkt als ‘possession’. Of in een dergelijk geval sprake is van een ‘possession’ hangt volgens het Hof af van de vraag of sprake is van een ‘underlying professional practice of a certain worth that had, in many respects, the nature of a private right and thus constitutes an asset and therefore a “possession”(…)’ (par. 96). Het Hof heeft vervolgens overwogen dat Malik een omvangrijke patiëntenkring had opgebouwd, dat hij met zijn praktijk geld verdiende en er dus sprake was van een economisch belang, en dat hij goodwill genoot, die uit zijn reputatie en connecties bestond. Daarbij maakte het ook niet uit dat die goodwill niet overdraagbaar was (par. 97-99). Het Hof kwam overigens tot de conclusie dat in het onderhavige geval van schending van art. 1 EP Pro geen sprake was:
fair balance, onder meer van belang of de onderneming of de beroepspraktijk inkomensschade heeft geleden (hetgeen dus niet noodzakelijkerwijs betekent dat de gederfde of te derven inkomsten zelf als
possessionworden beschouwd). In
Olbertz/Duitsland [70] en
Buzescu/Roemenië [71] neemt het EHRM een aantasting van eigendom aan, omdat de (gedeeltelijke) sluiting van de beroepspraktijk leidt tot verlies van inkomsten. [72] In
Ian Edgar (Liverpool) Ltd/Verenigd Koninkrijkneemt het Hof in aanmerking dat de compensatie die door de overheid is geboden ook geldt als gedeeltelijke compensatie voor toekomstige inkomsten en winsten. Is sprake van onteigening, dan moet normaliter compensatie worden geboden die redelijk gerelateerd is aan de waarde van het onteigende omdat anders sprake is van een disproportionele inmenging. [73] In de zaak
Lithgow e.a./Verenigd Koninkrijk, die de nationalisatie betrof van een gehele tak van industrie (de luchtvaart- en scheepsbouwindustrie), kwam aan de orde dat in de ‘Aircraft and Shipbuilding Industries Act 1997’ de compensatie was gebaseerd op de waarde van de aandelen. Een alternatief zou zijn geweest dat de compensatie zou worden gebaseerd op de waarde van de onderliggende activa van de ondernemingen, hetgeen volgens de Britse regering een kostbare en tijdrovende klus zou zijn, terwijl bovendien ‘in valuing a business which is to continue to operate as a going concern earnings may often be a more important factor than assets’. Het Hof kwam tot het oordeel dat de desbetreffende compensatiemaatregel in beginsel niet onverenigbaar was met de vereisten van art. 1 EP Pro. [74]
onderdeel 1.2falen derhalve.
de facto) onteigening, nu de Wet de bij de nertsenhouders aanwezige bedrijfsmiddelen niet van elke waarde berooft en die bedrijfsmiddelen nog een substantiële waarde vertegenwoordigen. Het hof heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onbegrijpelijke beslissing gegeven, aldus het onderdeel.
de factoontneming van eigendom. Het middel betoogt dat gekeken moet worden naar de effecten van de maatregel op het door die maatregel getroffen bedrijf in zijn geheel en dat het hof in rov. 5.3 een te minimalistische benadering heeft gevolgd door slechts te bezien of de individuele activa nog een restwaarde vertegenwoordigen. Volgens subonderdeel 2.3 is in het internationaal publiekrecht de overwegende benadering dat de ondernemer bij onteigening de
fair market valuevan zijn investering vergoed krijgt, en dat voor de vraag of sprake is van onteigening gekeken moet worden naar de restwaarde en/of functionaliteit van de onderneming als geheel en niet naar de restwaarde en/of functionaliteit van de afzonderlijke activa. Het subonderdeel doet op de in onderdeel 1.1 genoemde gronden een subsidiair beroep op de benadering in het internationaal investeringsrecht en op het gegeven dat het EVRM en het EP beide als
living instrumentmoeten worden uitgelegd en toegepast. Subonderdeel 2.4 klaagt dat het oordeel van het hof in elk geval rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is, in het licht van de stellingen van NFE c.s. dat het overgrote merendeel van de nertsenhouders in 2024 of bij eerdere bedrijfsbeëindiging geen reële of alternatieve aanwendingsmogelijkheden hebben voor hun ondernemingen en de activa daarvan. Het hof heeft in rov. 4.5 in het midden gelaten of de nertsenhouders in staat zullen zijn andere activiteiten te ontplooien op de bestaande bedrijfslocaties, zodat in cassatie tenminste veronderstellenderwijs moet worden uitgegaan van de stellingen van NFE c.s. dat op de bestaande bedrijfslocaties geen andere bedrijfsbestemming zal bestaan en dat in veel gevallen een niet-bedrijfsmatige bestemming (wonen) voor de betrokken percelen is uitgesloten. Het oordeel van het hof dat niettemin een zinvolle alternatieve aanwending van de eigendom resteert en/of sprake zal zijn van een meer dan verwaarloosbare waarde van de relevante activa, behoefde nadere motivering. Voor zover het hof acht heeft geslagen op de restwaarde van bedrijfsgebonden activa doet dat aan voorgaande niet af, nu NFE c.s. vermogensschade hebben geleden, waarvoor de overgangstermijn geen compensatie biedt. Subonderdeel 2.5 bevat klachten die voortbouwen op subonderdelen 2.1 t/m 2.4.
Sporrong & Lönnroth/Zweden [75] heeft het EHRM geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een
de factoonteigening, gekeken moet worden naar het werkelijke effect van de maatregel:
.In the absence of formal expropriation, that is to say a transfer of ownership, the Court considers that it must look behind the appearances and investigate the realities of the situation complained of (…). Since the Convention is intended to guarantee rights that are “practical and effective” (…), it has to be ascertained whether that situation amounted to a de facto expropriation as was argued by the applicants. (…)’.
de factoonteigening omdat nog gebruik kon worden gemaakt van de woningen en dat, ondanks de bestaande onteigeningsvergunning, de mogelijkheid van verkoop van de woningen steeds bestond (par. 63). In de zaak
Mellacher e.a./Oostenrijk [76] , waarin het ging om een van overheidswege opgelegde (forse) huurverlaging van de door klagers verhuurde woningen, heeft het Hof geoordeeld dat geen sprake was van een
de factoonteigening. De klagers waren immers nog steeds in staat om hun woningen te gebruiken, te verhuren of te verkopen. De maatregel die klagers een deel van hun inkomsten uit de verhuur ontnam, was slechts een regulering van het gebruik van de eigendom van klagers. In de zaak
Papamichalopoulos/Griekenland [77] , die handelde over de feitelijke bezetting van een stuk grond door de Griekse marine, heeft het Hof daarentegen geoordeeld dat van een
de factoonteigening sprake was nu door de maatregel in kwestie aan de klager alle mogelijkheid om over zijn eigendom te beschikken was ontnomen en die situatie bovendien zonder oplossing voortduurde.
de factoonteigening, ook niet als de maatregel tot gevolg heeft dat op de bestaande bedrijfslocatie geen reële mogelijkheid meer bestaat om een andere onderneming te drijven en de beëindigde onderneming evenmin elders kan worden voortgezet. In de reeds aangehaalde zaak
Tre Traktörer Aktiebolag/Zweden [78] leidde de intrekking van de drankvergunning tot beëindiging van de onderneming (een restaurant). Toch was geen sprake van een
de factoonteigening, omdat de onderneming enig economisch belang voor de klaagster behield, namelijk het belang in de huurovereenkomst en de bedrijfsmiddelen, die konden worden verkocht (par. 55). Verder kan nog gewezen worden op de zaken
Capital Bank AD/Bulgarije [79] en
Bimer S.A./Moldavië [80] , waarin respectievelijk sprake was van intrekking van een bankvergunning en intrekking van een vergunning om een
duty-freeonderneming op een luchthaven te exploiteren. De intrekking van de onderscheiden vergunningen leidde in beide zaken tot onmiddellijke staking van de onderneming. Het Hof heeft in beide zaken geoordeeld dat sprake is van een regulering van eigendom, hoewel het Hof in de zaak
Capital Bank AD/Bulgarijedaarbij kennelijk het oog had op de bankvergunning zelf (zie par. 131).
Pinnacle Meat Processors e.a./Verenigd Koninkrijk [81] betrof, anders dan bovengenoemde zaken, niet de intrekking van een vergunning van een individueel bedrijf, maar de situatie dat de onderneming van de klager die gericht was op de verkoop van vlees van uitgebeende koeienhoofden, illegaal werd in verband met de overheidsmaatregelen om de verspreiding van de gekke koeienziekte (BSE) tegen te gaan. De onderneming moest daarom worden beëindigd. De Commissie heeft geoordeeld dat de uit de maatregel voortvloeiende schade (‘loss of business’) het gevolg was van de regulering van het gebruik van dierlijke materialen en daarom niet kon worden gezien als een
de factoonteigening. In de zaak
Ian Edgar (Liverpool) Ltd/Verenigd Koninkrijkheeft het Hof aan de beslissing van de Commissie in voornoemde zaak gerefereerd en geoordeeld dat de betrokken maatregel, namelijk het verbod op handvuurwapens, en de daaruit voortvloeiende schade voor ondernemingen die dergelijke vuurwapens verkochten (‘loss of business’), slechts kon worden gezien als een regulering van eigendom.
Fredin/Zweden [83] heeft overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of een overheidsmaatregel een
de factoonteigening inhoudt, gekeken moet worden naar de effecten van die maatregel op het door die maatregel getroffen bedrijf in zijn geheel. Dit betekent dat bij een (gedeeltelijke) intrekking van een bepaalde vergunning, welke intrekking op zichzelf beschouwd wellicht als onteigening zou kunnen worden gezien [84] , desalniettemin gekeken moet worden naar het getroffen bedrijf in zijn geheel. In
Fredin/Zwedenoordeelde het EHRM dat de intrekking van de vergunning om een grindmijn te exploiteren niet leidde tot een
de factoonteigening van het desbetreffende perceel, omdat ook gekeken moest worden naar de omliggende percelen. In dat perspectief bezien, was volgens het Hof geen sprake van een maatregel die ‘all meaningful use’ aan de percelen in kwestie onttrok (par. 45).
Fredin/Zwedende benadering ondersteunen die het hof in de onderhavige zaak heeft gevolgd, namelijk dat inderdaad bezien moet worden of de activa in de door de maatregel getroffen – en daardoor wellicht beëindigde – onderneming een meer dan te verwaarlozen waarde behouden. Dit is ook de benadering die het EHRM in de zaak
Tre Traktörer Aktiebolag/Zwedenheeft gevolgd. De klachten zoals vervat in subonderdelen 2.1 en 2.2 stuiten hierop af.
de factoonteigening wellicht anders wordt beantwoord dan het EHRM dat doet [85] , kan er niet toe leiden dat art. 1 EP Pro zo wordt uitgelegd dat reeds sprake is van een
de factoonteigening op de enkele grond dat de door een maatregel getroffen onderneming ophoudt te bestaan of die maatregel de waarde van de onderneming als geheel aantast (vgl. de hierboven besproken zaken
Pinnacle Meat Processors e.a./Verenigd Koninkrijken
Ian Edgar (Liverpool) Ltd/Verenigd Koninkrijk). Overigens zie ik niet in waarom voor de beantwoording van de vraag of van een
de factoonteigening van een onderneming sprake is, niet mag worden gekeken naar de restwaarde en/of functionaliteit van de afzonderlijke activa van die onderneming, maar dat daarvoor uitsluitend de restwaarde en/of functionaliteit van de onderneming als geheel in aanmerking zou moeten worden genomen, zoals subonderdeel 2.3 betoogt. De restwaarde van de afzonderlijke activa zal immers voor een (aanzienlijk) deel de restwaarde van de onderneming bepalen en in bepaalde situaties zal de restwaarde van de onderneming alleen nog bestaan uit de restwaarde van de afzonderlijke activa. Ook subonderdeel 2.3 faalt derhalve.
de factoonteigening, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het hof baseert dat oordeel immers op zijn vaststelling dat de resterende bedrijfsmiddelen en de grond, voor zover bij de Nertsenhouders in eigendom, na sloop van de opstallen en bestemmingswijziging een andere economische functie zullen kunnen krijgen, al is het maar door verkoop of verhuur. Het middel bestrijdt niet dat de bedrijfsmiddelen en de activa op deze wijze te gelde kunnen worden gemaakt. In het licht van de onder meer door NFE c.s. zelf overgelegde rapporten, waarnaar door het hof wordt verwezen, is dat oordeel bovendien niet onbegrijpelijk. Het gegeven dat NFE c.s. vermogensschade hebben geleden, waarvoor de overgangstermijn geen compensatie biedt, kan, ook als dat inderdaad zo is, niet afdoen aan de conclusie dat in de onderneming activa achterblijven met een niet te verwaarlozen restwaarde. Subonderdeel 2.4 kan derhalve niet tot cassatie leiden. Subonderdeel 2.5 faalt eveneens, nu dat onderdeel slechts voortbouwt op de subonderdelen 2.1-2.4.
fair balanceontbreekt. Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen. Alvorens op de klachten in te gaan, schets ik kort het juridisch kader.
lawfullness-toets),
general interest-toets),
fair balance-toets). [86]
fair balance-toets vereist het bestaan van een redelijke mate van evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt nagestreefd. Aan het vereiste van een
fair balanceis niet voldaan, indien er sprake is van een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’) voor de betrokken persoon. Daarbij dienen alle omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw te worden genomen. [87] Onder meer de volgende, ook in onderhavige zaak relevante, omstandigheden kunnen van belang zijn:
Chassagnou/Frankrijk [89] , die betrekking had op een (regulerende) maatregel als gevolg waarvan landeigenaren hun jachtrechten moesten overdragen aan een jagersvereniging, dat de verkrijging van het recht om te jagen op het jachtterrein van de jagersvereniging geen compensatie bood aan die eigenaren die principieel tegen de jacht zijn. Anders dan bij onteigening geldt bij regulering van eigendom, ook bij diep ingrijpende maatregelen, niet als uitgangspunt dat compensatie moet worden geboden. [90] De factor compensatie is slechts een van de vele factoren die in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van de proportionaliteit van de maatregel. [91] Wel is het zo dat hoe ernstiger de aantasting van het eigendomsrecht is, hoe eerder bij ontbrekende of ontoereikende schadevergoeding een schending van art. 1 EP Pro zal kunnen worden aangenomen. [92]
Ian Edgar (Liverpool)/Verenigd Koninkrijkwerd aan de appellant tegengeworpen dat hij al zijn activa kon blijven gebruiken, terwijl de handel in handvuurwapens, die was verboden, slechts 30% van zijn handel uitmaakte, zodat een significant deel van zijn handel onaangetast bleef. [93] In
Pinnacle Meat Processors e.a./Verenigd Koninkrijk [94] achtte de Commissie het van belang dat de door het verbod op gebruik van bepaalde dierlijke materialen getroffen bedrijven, hoewel zij hun onderneming hadden moeten beëindigen, hun activa konden blijven gebruiken of konden verkopen.
Lohuis e.a./Nederland [99] oordeelde het EHRM als volgt:
fair balance-toets op twee niveaus kan plaatsvinden, namelijk op het niveau van de wettelijke maatregel als geheel en op het niveau van het individuele geval, rekening houdend met de in dat individueel geval geldende (lastenverzwarende) omstandigheden. [101]
Country Side Alliance e.a./Verenigd Koninkrijk [103] , waarin het ging om het verbod op vossenjacht met honden, trok het Hof hieruit de volgende conclusie omtrent de beleidsvrijheid die aan de overheid toekomt met betrekking tot het bepalen van de typen schade waarvoor zal worden gecompenseerd:
mutatis mutandis,
C.E.M. Firearms Limited and others v the United Kingdom(dec.), nos. 37674/97 and 37677/97, 26 September 2000). Nevertheless, the domestic authorities must enjoy a wide margin of appreciation in determining the types of loss resulting from the measure for which compensation will be made. As stated in
C.E.M. Firearms Limited v United Kingdom“the legislature’s judgment in this connection will in principle be respected unless it is manifestly arbitrary or unreasonable.” This applies,
a fortiori, to cases where the interference concerns control of the use of property under the second paragraph of Article 1 rather than deprivation of possessions under the first paragraph of the Article’.
subonderdeel 3.1wordt betoogd dat het hof bij zijn beoordeling van de vraag of de Wet een
fair balancetreft ten onrechte geen acht heeft geslagen op twee essentiële omstandigheden, namelijk (i) de omstandigheid dat het initiatiefwetsvoorstel voorzag in een gefaseerde uitkoopregeling, die zonder enig nader onderzoek naar de vraag of de overgangstermijn voldoende zou zijn om de gedane investeringen terug te verdienen na een negatief advies van de Raad van State uit het wetsvoorstel is geschrapt, en (ii) dat de Wet is aangenomen in het volle bewustzijn van de onzekerheid over de adequaatheid van de overgangstermijn in verband met art. 1 EP Pro en de grote onzekerheid die daarvan het gevolg is voor de nertsenhouders. Nu de Wet een zeer zware vorm van regulering vormt, niet in compensatie voorziet en de flankerende maatregelen bovendien minimaal en onzeker zijn, heeft de Wet wat betreft de keuze voor een overgangstermijn een arbitrair karakter. De Wet is mede daarom disproportioneel, althans het hof had voornoemde omstandigheden in zijn oordeel dienen te betrekken, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 3.2wordt betoogd dat het hof bij zijn toepassing van de
fair balance-toets, zich ten onrechte heeft beperkt tot de vraag of de overgangstermijn de nertsenhouders in staat stelt de verplichte investeringen terug te verdienen die zij op grond van de PPE-verordening tot 1 januari 2014 hebben moeten doen. In elk geval heeft het hof daaraan ten onrechte een te groot gewicht toegekend, aldus het onderdeel. Onderdeel 3.2.1 stelt daartoe dat het hof heeft miskend dat de overgangstermijn de strekking heeft om gedane investeringen, en niet slechts ‘PPE-investeringen’, terug te verdienen met een redelijke vergoeding voor arbeid en geïnvesteerd kapitaal. Onderdeel 3.2.2 betoogt dat het hof ook niet heeft geoordeeld dat een overgangstermijn die slechts bedoeld is om verplichte welzijnsinvesteringen te kunnen terugverdienen, mede gelet op alle overige omstandigheden van het geval, tot het oordeel leidt dat de Wet een
fair balancetreft. Daarom schiet de toepassing van de
fair balance-toets door het hof tekort. Onderdeel 3.2.3 betoogt nog dat voor zover het hof impliciet heeft geoordeeld dat de nationale rechter een door de wetgever gemaakte beleidskeuze in beginsel dient te respecteren, dit oordeel rechtens onjuist is, omdat art. 1 EP Pro de rechter verplicht om zelfstandig vast te stellen of met de gemaakte beleidskeuze in de gegeven omstandigheden van het geval een
fair balanceis getroffen.
fair balance-toets door het hof schiet in deze opzichten derhalve niet tekort. Voor zover het hof inderdaad heeft geoordeeld dat de beleidskeuzen van de wetgever door de rechter in beginsel moeten worden gerespecteerd, is dat oordeel juist. De rechter moet, met inachtneming van de aan de wetgever toekomende beleidsvrijheid, een zelfstandig oordeel geven over de vraag of in de gegeven omstandigheden van het geval een
fair balanceis getroffen. Dat zelfstandige oordeel heeft het hof in rov. 3.2 t/m 4.8 gegeven. De klachten zoals die zijn vervat in subonderdeel 3.2 falen derhalve.
subonderdeel 3.3klaagt het middel dat, afgezien van de schade aan de goodwill en los van de verplichte welzijnsinvesteringen, omvangrijke vermogensschade wordt geleden als gevolg van de Wet en dat de overgangstermijn daarvoor geen compensatie biedt. Hoewel bij een regulering van eigendom niet het uitgangspunt geldt van compensatie en ook de voorzienbaarheid en het ondernemersrisico van gewicht zijn, blijft bij de toepassing van de
fair balance-toets van belang voor welke schade moet worden gecompenseerd. In de onderdelen 3.3.1 en 3.3.2 wordt betoogd dat het hof in rov. 3.7 t/m 4.10 ten onrechte niet heeft vastgesteld wat de waarde is van de getroffen activa en in hoeverre als gevolg van de Wet die waarde is of zal worden verminderd. Evenmin heeft het hof onderzocht of de overgangstermijn een toereikende tegemoetkoming in de schade zou vormen. NFE c.s. hebben gemotiveerd onderbouwd dat de vermogensschade en sloopkosten op geaggregeerde basis voor de sector respectievelijk EUR 44 miljoen en EUR 15 miljoen bedragen. Nu het hof die stellingen niet heeft verworpen staat in cassatie de juistheid daarvan veronderstellenderwijs vast. Het hof heeft ten onrechte nagelaten te onderzoeken en te beslissen of, gelet op deze en alle overige relevante omstandigheden, de overgangstermijn strookt met het proportionaliteitsvereiste van art. 1 EP Pro. Onderdeel 3.3.3 klaagt dat het hof in rov. 3.3 en in zijn daarop aansluitende analyse omtrent de vraag of de overgangstermijn enig voordeel biedt ten opzichte van een algeheel verbod met onmiddellijke ingang per 15 januari 2013, ten onrechte niet is ingegaan op de schadelijke effecten van de overgangstermijn, waaronder het waardedrukkend effect van het vervreemdings- en uitbreidingsverbod.
onderdeel 4.2falen mitsdien.