Conclusie
1.Feiten en procesverloop
fair balance’, de Staat niet buiten zijn beoordelingsmarge is getreden door in dit geval nadeelcompensatie achterwege te laten (rov. 4.7 Rb). Evenmin volgde de rechtbank eisers in hun standpunt dat gedurende de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel niet was te voorzien dat een verbod zou volgen zonder compensatieregeling (rov. 4.8 Rb). De rechtbank besloot dat de Staat niet onrechtmatig jegens eiseressen heeft gehandeld.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
possessions’in de Engelse, ‘
biens’in de Franse tekst) een eigen betekenis. De kern daarvan is de economische waarde van hetgeen beschermd moet worden. Het gaat om bezittingen, om reeds bestaande in beginsel in geld waardeerbare rechten en belangen (‘
assets’). Bij een economische waardering is in de praktijk een belangrijk gezichtspunt: de overdraagbaarheid van een recht of belang. Intellectuele eigendomsrechten, zoals auteursrechten of een licentierecht, kunnen zo onder art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM worden beschermd tegen ontneming door de overheid [7] . Ook goodwill (bijv. in de vorm van een reeds bestaand klantenbestand) kan op deze wijze worden beschermd. De enkele mogelijkheid in de toekomst inkomsten te verwerven (‘verdiencapaciteit’) is op zichzelf niet voldoende om te spreken van ‘
possessions’. Of, zoals de Staat het uitdrukt: art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM houdt niet een recht in om inkomsten te verwerven [8] . In zijn annotatie onder een uitspraak van het EHRM over dit onderwerp, maakt Schild het onderscheid met goodwill duidelijk:
Van Marle e.a.t.
Nederland, EHRM 26 juni 1986, nr. 8543/79; 8674/79; 8675/79; 8685/79,
Series A,Vol. 101,
NJ1987, 581, m. nt. Alkema). Toekomstige inkomsten worden evenwel alleen aangemerkt als ‘eigendom’ wanneer zij zijn verdiend of wanneer op deze inkomsten een rechtens afdwingbare aanspraak bestaat (vgl. bijv.
Ian Edgar [Liverpool] Ltd.t.
Verenigd Koninkrijk, EHRM 26 januari 2000, nr. 37683/97,
Reports2000-I). De gedachte achter dit onderscheid is dat goodwill een economische waarde vertegenwoordigt, terwijl men in het geval van toekomstige inkomsten de spreekwoordelijke beer eerst nog moet schieten.” [9]
de iure), bijvoorbeeld een onteigening, als een ontneming van feitelijke aard (
de facto)waarbij de eigenaar slechts op papier zijn eigendomsrecht behoudt. Het tweede lid van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM ziet op een beperking (regulering) van het gebruik door de rechthebbende.
lawfullness-toets),
general interest-toets),
fair balance-toets).
onderdelen 1.4 - 1.12 [11] klaagt [eiseres] dat het hof de strekking en reikwijdte van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM en art. 17 lid 1 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie miskent: wanneer sprake is van een algehele staking van de activiteiten van een bedrijf als gevolg van een ingevoerde overheidsmaatregel, volgt daaruit dat eigendom (‘possession’) wordt ontnomen als bedoeld in art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM en art. 17 Handvest Pro grondrechten EU. Het hof had volgens de klacht met name de mogelijkheid om voortgezette bedrijfsinkomsten te genereren moeten betrekken bij het waarderen van de (vóór de ingangsdatum van het verbod reeds) bestaande klantenkring (
goodwill).
goodwill’deel kan uitmaken van de ‘
possessions’van een ondernemer. Het hof heeft in rov. 2.1 echter geoordeeld dat eiseressen onvoldoende hebben toegelicht wélke eigendom(men) hen zou(den) zijn ontnomen. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, is met het wegvallen van een mogelijkheid om inkomsten te verwerven (‘verdiencapaciteit’) niet zonder meer gegeven dat een bestaande klantenkring of een ander ‘
asset’aan [eiseres] is ontnomen. Eiseressen hebben, onderbouwd met een rapport van een fiscaal adviseur, een aantal bedrijfsactiva opgesomd en aangevoerd dat deze nutteloos zijn geworden ten gevolge van de wetswijziging. Afgezien van het feit dat de Staat de juistheid van deze opgave bestrijdt, heeft de Staat in de feitelijke instanties het verweer gevoerd dat eiseressen hun bedrijfsmiddelen behouden en kunnen aanwenden voor andersoortige bedrijfsactiviteiten [12] . Eiseressen hebben, in reactie op dit verweer, gewezen op de door hen opgebouwde klantenkring (
goodwill). Volgens het hof hebben eiseressen echter onvoldoende feiten gesteld om de gevolgtrekking te kunnen maken dat sprake is van ontneming van eigendom in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM. Met andere woorden: als de gestelde ‘
asset’(bijv. een bestaande klantenkring die een economische waarde heeft) niet is komen vaststaan, komt de rechter niet toe aan de vraag of de ontneming daarvan kan worden gerechtvaardigd. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Voor zover de klacht ertoe strekt in cassatie alsnog de ontbrekende onderbouwing te leveren, komt deze te laat; zie art. 419 Rv Pro.
onderdelen 1.13 en 1.14zijn gericht tegen het (in alinea 2.7 hiervoor geciteerde) vervolg van de overweging. De klacht houdt in dat deze overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de begrippen “
possessions” en “ontnemen”. Wat betreft de auteurs- en licentierechten is volgens de klacht sprake van een ontneming van “
possessions”: de werken waarop auteursrecht rust en waarvoor door [eiseres] een licentie is verkregen kunnen, als gevolg van het wettelijk verbod, niet meer worden verhandeld; het bezit en de export daarvan zijn verboden verklaard in Nederland. De door het hof genoemde omstandigheid dat het bezit van en de handel in dierenpornografie in andere landen wel zijn toegestaan doet volgens de klacht daaraan niet af, nu het sinds 1 juli 2010 verboden is dit materiaal naar die landen te exporteren of vanuit Nederland rechten daarop over te dragen.
de iurevan deze auteurs- en licentierechten: die rechten blijven gewoon bestaan en in handen van de rechthebbende. Van een
de factoontneming (algehele of nagenoeg algehele uitholling) van deze auteurs- en licentierechten is in de redenering van het hof geen sprake, omdat deze rechten voor de rechthebbende nog van nut kunnen zijn in landen waar de verhandeling van dit expliciete beeldmateriaal wel is toegestaan. Voor zover de klacht berust op de gedachte dat de gestelde auteurs- en licentierechten in Nederland niet vatbaar zijn voor vervreemding, berust zij op een onjuiste lezing van artikel 254a Sr: dat artikel verbiedt niet de vervreemding van een auteurs- of licentierecht. Voor zover de klacht berust op de gedachte dat een regulering van het gebruik van de gestelde auteurs- of licentierechten heeft te gelden als een ‘ontneming’ van eigendom, berust die klacht op een onjuiste rechtsopvatting: dit volgt uit de tekst van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM.
in de grieven(slechts) een beroep hebben gedaan op art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM. Overigens verdient opmerking dat het niet volstaat, een (niet nader uitgewerkt) beroep te doen op art. 17 van Pro het Handvest. Gelet op het bepaalde in art. 51 van Pro het Handvest, hadden eiseressen feiten of omstandigheden moeten stellen of aanduiden, die maken dat het Handvest in dit geval van toepassing is. Het spreekt niet voor zich dat bepalingen van het Handvest in dit geval van toepassing zijn: met de invoering en handhaving van de wet van 4 maart 2010, Stb. 111, geeft de Staat geen uitvoering aan het recht van de Europese Unie. Weliswaar is in de rechtspraak van het HvJ EU een ruime betekenis gegeven aan het bepaalde in art. 51 Handvest Pro [14] , in die zin dat – kort gezegd − ook (op grond van doorwerking van beginselen van het recht van de Unie, zoals het doeltreffendheidsbeginsel) een verplichting van lidstaten kan worden aangenomen om ten minste de in het Handvest opgenomen grondrechten te respecteren wanneer het optreden van de lidstaat binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, maar dan is nog steeds een verband met het Unierecht nodig. In dit geval hebben eiseressen – in de redenering van het hof − geen toelichting verschaft, zodat het hof noch in de grief noch in de gestelde feiten over enig houvast beschikte om iets met het beroep op art 17 Handvest Pro te kunnen doen (ook niet, zo voeg ik toe, ten aanzien van bijvoorbeeld import-, export- of doorvoermogelijkheden van zulk expliciet beeldmateriaal) [15] .
lawfullness) en het vereiste algemeen belang (
general interest), besproken in alinea 2.5 hiervoor, nauwelijks stof tot discussie opgeleverd. Het debat tussen partijen heeft zich geconcentreerd op de vraag of de inmenging voldoet aan het derde vereiste: een
fair balancetussen het belang van eiseressen (exploitatie van hun auteurs- en licentierecht) en het ingeroepen algemeen belang (kort samengevat: de handhaving van een zedelijke norm en bescherming van het welzijn van dieren). In dat verband is ter discussie gekomen of sprake is van een onevenredige last (
individual and excessive burden) die hier op eiseressen is gelegd.
onderdelen 2.1 en 2.2wordt in het bijzonder geklaagd over het oordeel dat het door eiseressen bij pleidooi in het geding gebrachte rapport van de belastingadviseur in het geheel niet is toegelicht en dat het niet aan het hof is, daarin bevestiging te zoeken van stellingen die eiseressen zelf niet naar voren hebben gebracht. Volgens de klacht mocht [eiseres], nu het hof over dit verslag geen vragen heeft gesteld, ervan uitgaan dat zij voldoende had gesteld ter onderbouwing van door haar als gevolg van deze wetswijziging geleden of nog te lijden schade. Over deze klacht kan ik kort zijn: zij gaat ten onrechte ervan uit dat indien de rechter over de inhoud van een door een partij voor het pleidooi overgelegde productie geen vragen stelt, daarmee vaststaat dat de desbetreffende partij aan haar stelplicht heeft voldaan. Overigens gaat de klacht eraan voorbij dat in de procedure bij het hof niet slechts ter discussie stond of [eiseres] reëel de beschikking had over deze activa, maar ook of deze bedrijfsmiddelen kunnen worden aangewend voor andersoortige activiteiten dan de vervaardiging en verkoop van dierenpornografie, mede gelet op de ruimere omschrijving in het handelsregister van de bedrijfsactiviteiten van [eiseres]. Deze klacht faalt.
onderdelen 2.4, 2.5, 2.7 (tweede deel) en 2.9wordt geklaagd dat het hof had behoren te onderzoeken of op voldoende wijze is voorzien in (een regeling voor) nadeelcompensatie en, zo niet, dat daarmee is gegeven dat de Staat onrechtmatig handelt.
Onderdeel 2.7 (eerste deel)klaagt, onder verwijzing naar HR 3 april 1998, NJ 1998/726, dat het hof in rov. 2.4 ten onrechte persoonlijke omstandigheden als grond aanvoert, hoewel deze niet relevant zijn voor de beoordeling óf de Staat onrechtmatig handelt.
Onderdeel 2.8komt neer op de klacht dat het hof in rov. 2.4 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
fair balancebestaat tussen het met de overheidsmaatregel nagestreefde algemeen belang en anderzijds de individuele belangen van het door die maatregel getroffen individu. Wanneer sprake is van een individuele buitensporige last voor de betrokkene, is aan dat vereiste niet voldaan. Daarbij dienen alle omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw te worden genomen [16] .
excessive") veronderstelt dat het nadeel uitgaat boven het normale maatschappelijke risico of, bij een onderneming, het normale bedrijfsrisico. Op deze wijze komt de maatstaf van ‘
individual and excessive burden’in de buurt van het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten (
égalité devant les charges publiques). Het laatstgenoemde beginsel heeft zijn wortels in het algemene gelijkheidsbeginsel. In het Nederlandse nationale recht wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen de evenredigheidstoets [17] en een toetsing aan het égalité-beginsel [18] .
Onderdeel 2.10bouwt slechts voort op de onderdelen 2.1 - 2.9 en deelt het lot daarvan.