Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
ontkentdat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting moeten zijn neergelegd in een formeel wettelijke bepaling die voldoende kenbaar en voorzienbaar aangeeft welke beperking geldt, mist feitelijke grondslag: in rov. 7 heeft het hof juist tot uitgangspunt genomen dat, voor zover sprake is van een beperking naar de inhoud, deze moet zijn neergelegd in een wet in formele zin (art. 46 Advocatenwet Pro) en voldoende duidelijk en kenbaar voor de normadressaat is omschreven.
a prioriongeschikt is om welke meningsuiting van een advocaat dan ook te beoordelen, zodat de Deken niet eens aan een onderzoek of aan het indienen van een Dekenbezwaar bij de Raad van Discipline had mogen beginnen, heeft het hof geen rechtsregel geschonden door dat standpunt niet te aanvaarden. Eerst bij een inhoudelijke beoordeling – die, als gezegd, aan de tuchtrechter is – kan worden vastgesteld of voor de ter verantwoording geroepen advocaat inderdaad niet kenbaar en niet voorzienbaar was dat de norm van art. 46 Advocatenwet Pro op zijn gedraging (meningsuiting) zou worden toegepast.