Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Economisch dezelfde functie
Scholten(C.H.U.): (…) De bewindslieden hebben in de memorie van antwoord op blz. 37 te kennen gegeven (…) dat zij geen bezwaar hebben tegen het innemen van een ruim standpunt bij geval van twijfel. Ik zou de bewindsman – dit is een punt voor de agrarische sfeer – willen vragen of ook een overschakeling van de akkerbouw naar het veeweidebedrijf en omgekeerd onder het begrip vervanging in de zin van dit artikel kan vallen.
Van den Berge: (…) Ik zou deze vraag niet bij wijze van interpretatie van het artikel willen beantwoorden. Dat lijkt mij een te gevaarlijke bezigheid. Ik geloof ook niet, dat de geachte afgevaardigde mij dat vraagt. Ik geloof, dat, als ik hem zeg, dat bij de beoordeling door de administratie een soepel standpunt zal worden ingenomen, hij daarmede tevreden zal zijn, mits, en daar zal de geachte afgevaardigde het mee eens zijn, het bedrijf niet gestaakt wordt.
BNB2005/246 oordeelde de Hoge Raad dat sprake was van economisch dezelfde functie, in een geval waarin twee woonappartementen (bestemd voor verhuur aan particulieren) werden vervangen door bedrijfsunits (bestemd voor verhuur aan ondernemingen). Beide vermogensbestanddelen vervulden volgens de Hoge Raad economisch dezelfde functie, omdat beide panden als beleggingen werden aangehouden. De Hoge Raad oordeelde: [14]
BNB2002/98, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat met betrekking tot het begrip vervanging een ruim standpunt dient te worden ingenomen. In aanmerking genomen het doel van de onderhavige onderneming - een onderneming die zich richt op het verkrijgen van opbrengst uit het verhuren van onroerende zaken - laten de vaststaande feiten geen andere conclusie toe dan dat het pand en de bedrijfsunits in de onderneming dezelfde economische functie vervullen. De door het Hof vermelde verschillen doen aan die overeenkomst niet af. Dit brengt mee dat de bedrijfsunits ten opzichte van het pand moeten worden aangemerkt als vervangende bedrijfsmiddelen en met betrekking tot deze vervanging de regeling van de vervangingsreserve kan worden toegepast. Het eerste middel is mitsdien gegrond.
BNB2006/246; A-G] met de advocaat-generaal van mening dat, gelet op de achtergrond van de regeling, het begrip ‘eenzelfde economische functie’ ruim moet worden uitgelegd. De wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling nota bene expliciet aangegeven dat de vervangingsreserve kan worden toegepast als courante woningen worden vervangen door courante woonwinkelflats of kantoorgebouwen. Er moet dus worden bekeken of er sprake is van ‘soortgelijke werkzaamheden’ en niet of er sprake is van ‘soortgelijke objecten’. Met andere woorden, of de activiteiten van de onderneming worden voortgezet met werkzaamheden van dezelfde soort. Hierbij zijn niet de technische prestaties van het bedrijfsmiddel doorslaggevend, maar wat in het maatschappelijk verkeer als soortgelijke werkzaamheid geldt. De verhuur van verschillende inwisselbare vastgoedbeleggingen (zoals woningen, winkels of bedrijfsgebouwen) worden door vastgoedexploitatiemaatschappijen als soortgelijke werkzaamheden beschouwd. Hoewel dergelijke objecten onderling verschillend kunnen zijn (onder andere qua aard, doelgroep, ligging en fysieke gesteldheid), zijn ze geschikt en bestemd voor hetzelfde doel. Vastgoedbeleggingen hebben gemeenschappelijk dat ze rendement opleveren, onroerend zijn en een bepaalde mate van courantheid kennen. Deze globale overeenkomsten van vastgoedbeleggingen in functie en aard zijn dus voldoende om van een soortgelijke werkzaamheid te spreken. Een vergelijking, zoals de inspecteur en het hof hebben toegepast op basis van (rendements)factoren als huuropbrengst, onderhoudskosten, economische levensduur, waardeontwikkeling en leegstandsrisico, hoeft dus niet te worden gemaakt. [18]
BNB1999/195 [20] had een belastingplichtige ter zake van de verkoop van zijn weidegrond met een oppervlakte van 996 m² een vervangingsreserve gevormd. Hij wenste deze af te boeken op een in dat jaar gekocht perceel weidegrond ter grootte van 5.54.25 ha. De Hoge Raad oordeelde:
BNB 1999/195. Gerekend in veteenheden hebben de gekochte melkquota (totaal: 170 048 veteenheden) een omvang die anderhalf maal zo groot is als de verkochte melkquota (111 250 veteenheden). Dat brengt met zich dat bij de aanschaffing van de melkquota een splitsing moet worden aangebracht tussen vervangende melkquota en melkquota die een uitbreidend karakter hebben (zie ook HR 11 december 1968, nr. 15 992,
BNB 1969/162). Ter zake van een uitbreidingsinvestering kan de vervangingsreserve dus niet worden benut. Dat per saldo een deel van de vervangingsreserve ad f 14 083 (€ 6391) vrijvalt (…), is het gevolg van het feit dat de melkquota tegen een lagere prijs worden aangeschaft dan waarvoor zij zijn vervreemd.
BNB2006/246 [23] heeft de Hoge Raad het begrip uitbreidingsinvestering nader vormgegeven. In dit arrest, waarin de belastingplichtige woonappartementen had vervangen door bedrijfsunits, had de inspecteur (subsidiair) betoogd dat sprake was van een uitbreidingsinvestering, omdat de nettorendementen van de bedrijfsunits hoger waren dan die van de woonappartementen. Dit standpunt werd door de Hoge Raad afgewezen:
5.Behandeling principaal beroep in cassatie (Staatssecretaris)
Behandeling incidenteel beroep in cassatie (belanghebbende)