Conclusie
eerste middelkomt op tegen de verwerping van een in het kader van feit 1 gedaan beroep op een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, dat tot bewijsuitsluiting had moeten leiden.
niethet resultaat van het vormverzuim is zoals onder overweging 2.3 wordt aangegeven, bewijsuitsluiting toch geboden kan zijn, indien dit noodzakelijk is ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro. Dat is ook de opvatting van mijn ambtgenoot Harteveld in zijn conclusie voorafgaande aan dit arrest waarin hij over de situatie dat het recht op een eerlijk proces in het geding is, schrijft:
tweede middel komt met twee klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde witwassen.
Ten eerstewordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn onvoldoende is gemotiveerd. Betwist wordt dat het hof dit over de band van aannemelijkheid bewezen heeft kunnen verklaren.
Ten tweedebehelst het middel de klacht dat het hof op ontoereikende gronden heeft aangenomen dat sprake is van ‘verhullen’ als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr.
criminele herkomstvan die voorwerpen. [19] Datzelfde geldt voor het enkel aantreffen van een plastic tas met geld in de auto: dat levert niet het in art. 420 lid 1 onder Pro a Sr bedoelde verhullen op. [20]
één bundel van ca. 6 centimeter dik met 20-euro-biljetten en zes bundels van elk 1 à 2 centimeter dik met 50-euro-biljetten, na telling bleek dit te zijn: 600 biljetten van elk 50 euro en 500 biljetten van elk 20 euro, totaal derhalve € 40.000,=;
4 biljetten van elk [21] 200 euro, 14 biljetten van elk 100 euro, 86 biljetten van elk 50 euro, 5 biljetten van elk 20 euro, 1 biljet van 10 euro en 1 biljet van 5 euro: totaal € 6.620,=.