Conclusie
2.Procesverloop
3.Beoordeling cassatieberoep
onderdeel 1kan het volgende worden vooropgesteld. De faillietverklaring wordt gezien als een gerechtelijk beslag op alle goederen van de schuldenaar ten behoeve van diens gezamenlijke schuldeisers. In art. 20 Fw Pro is bepaald dat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar omvat ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. [8] Op grond van het fixatiebeginsel geldt dat door het intreden van het faillissement de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt. [9] Uitgangspunt van de Faillissementswet is tevens dat het faillissement geen invloed heeft op wederkerige overeenkomsten. [10] Hieruit volgt dat de curator niet bevoegd is om overeenkomsten op te zeggen, tenzij de wet of de overeenkomst hem (of de schuldenaar) daartoe bevoegd maakt. [11]
al hetgeen de brouwerij en/of haar dochtervennootschappen op heden van de ondernemer te vorderen heeft en/of te enigertijd te vorderen mocht krijgen uit hoofde van geleende gelden, geleverde dranken, verhuur en/of uit welken anderen hoofde dan ookziet uitdrukkelijk (ook) op vorderingen van Heineken als verhuurder. De tekst bevat geen aanknopingspunten voor de lezing van de curator, dat de verpanding niet strekt tot zekerheid voor vorderingen die na faillissement uit de huurverhouding zijn ontstaan. De curator heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die – met toepassing van de Haviltexmaatstaf – steun bieden aan deze uitleg. Omtrent concrete onderhandelingen over de verpandingsbepaling is niets gesteld of gebleken; het betreft hier (kennelijk) een, door Heineken in dergelijke situaties vaker gebruikte, standaardtekst die LEF (kennelijk) zonder meer heeft geaccepteerd. Het standpunt van Heineken sluit bovendien het meest aan bij de gewone betekenis tussen (de zakelijke contractspartijen) LEF en Heineken van de gebruikte bewoordingen. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de verpanding mede is gevestigd voor de (toekomstige) boedelvordering ex artikel 39 Fw Pro en dat Heineken zich voor deze boedelvordering op de executieopbrengst kan verhalen: het gaat immers om een vordering die rechtstreeks voortvloeit uit de voor het faillissement reeds bestaande huurovereenkomst met LEF, met als bijzonderheid dat deze vordering door de werking van artikel 39 Fw Pro tevens een boedelvordering is. Het betoog van de curator dat het fixatiebeginsel hieraan in de weg staat, gaat niet op. Grief 1 faalt.”
onderdeel 2kan het volgende worden vooropgesteld. Indien meer schuldeisers een onbetaald gebleven vordering op een schuldenaar hebben, zijn zij in beginsel gelijkgerechtigd. Ten aanzien van de fiscus zijn echter bepaalde voorrechten erkend, op grond waarvan de belastingdienst als schuldeiser voorrang heeft op andere schuldeisers. In hoofdstuk IV, afdeling 1 van de Iw 1990 zijn deze verhaalsrechten van de fiscus geregeld. Er is echter geen sprake van rangorde bij concursus tussen de onderhavige vorderingen, omdat de Ontvanger niet een boedelvordering heeft en Heineken wel. In de kern stuit het onderdeel daarop af.
Subonderdeel 2.2betoogt dat voorts (of althans) het hof in rov. 3.9 ten onrechte ervan is uitgegaan dat Heineken zich, ook in dit geval van een negatieve boedel, kan verhalen op de inventaris zonder rekening te houden met het faillissement. Een negatieve boedel kan immers meebrengen dat de executieopbrengst van de bodemzaken bij de uiteindelijke verdeling van het boedelactief mede zal moeten worden aangewend voor de (gedeeltelijke) voldoening van hoger gerangschikte boedelvorderingen (dan vorderingen op de voet van art. 39 Fw Pro, zoals die van Heineken), waaronder het salaris van de curator. Het oordeel van het hof heeft dus (ook) tot gevolg dat Heineken de facto ten onrechte voorgaat boven hoger gerangschikte boedelvorderingen, aldus het subonderdeel.
onderdeel 3deelt in het lot van de voorgaande onderdelen.