Conclusie
Overzicht
payrollbedrijf dat werknemers in dienst neemt met de bedoeling hen in beginsel blijvend vanuit dit dienstverband te werk te stellen bij één inlener. Indien mogelijk neemt zij ook alle bestaande arbeidsovereenkomsten van de inlener over, waarna de inlener behalve een directeur/aandeelhouder geen werknemers meer in dienst heeft en uitsluitend werkt met arbeidskrachten in dienst van de belanghebbende. Belanghebbendes werknemers worden niet door haar, maar door haar opdrachtgevers (de inleners) geworven en geselecteerd. De door de belanghebbende met de arbeidskrachten gesloten arbeidsovereenkomsten bevatten geen uitzendbeding (art. 7:691(2) BW).
payrolleral dan niet een arbeidsallocatie-functie vervult. Hij verwierp ook belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel en op het vertrouwensbeginsel.
BNB2015/88 volgt dat de aard van de arbeidsovereenkomst de sectorindeling bepaalt; de belanghebbende heeft geen uitzendbedrijf, maar een
payrollbedrijf in de vorm van een werkgevers-ontzorgingsbedrijf. Zij klaagt subsidiair dat het Hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd haar beroepen op de vertrouwens- en gelijkheidsbeginselen heeft verworpen.
poolers, wier rechtspositie tot dan toe onduidelijk was. Aan
payrollbedrijven zoals dat van de belanghebbende heeft de wetgever in 1999 niet gedacht. Anderzijds heeft de Flexwetgever zich kennelijk niet goed gerealiseerd dat het etiket ‘uitzendovereenkomst’ (en daarmee ‘arbeidsovereenkomst’) óók toegang gaf tot het uitzendbeding van art. 6:791 BW Pro en tot voorbijgaan aan onder meer ontslagbescherming. In de civiele discussie ontstaat daardoor een onderscheid tussen ‘allocatiefunctie’ voor de toepassing van art. 7:690 BW Pro (ruim of zelfs irrelevant) en ‘allocatiefunctie’ voor de toepassing van art. 7:691 BW Pro (eng: alleen klassieke uitzendgevallen: ‘ziek en piek’). Ook in de toelichting op het Besluit indeling uitzendbedrijven – dat verscheen naar aanleiding van de invoering van de Flexwet en de Waadi – is daardoor een onderscheid zichtbaar tussen enerzijds “het ‘echte’ uitzenden” en een ruimer begrip “uitzenden in indelingstechnische zin”, mede omvattende driehoeksrelaties als detachering en arbeidspools.
Payrollbedrijven zoals dat van de belanghebbende lijken onder geen van beide begrippen te vallen, nu ze überhaupt geen allocatiefunctie hebben.
Payrollwerknemers zoals die van de belanghebbende genieten in elk geval sinds 2015 wettelijk, als gevolg van wijziging van het Ontslagbesluit (en de aansluitende Ontslagregeling bij de Wet Werk en Zekerheid) dezelfde ontslagbescherming als rechtstreekse werknemers van de opdrachtgevers. Contractueel was dat volgens belanghebbendes niet-weersproken stellingen ook in 2014 al zo en overigens had de Ontslagregeling onmiddellijke werking zodat ook arbeidsrelaties aangegaan vóór haar inwerkingtreding er onder vallen. Een naar opdrachtgeverssectoren gesplitste sectorindeling lijkt dan de juiste voor een premieplichtige zoals de belanghebbende. Dat strookt ook met HR
BNB2015/88, volgens welk arrest de aard van de overeenkomst beslissend is. Die aard is – althans voor ontslag-beschermingsdoeleinden – expliciet niet een uitzendovereenkomst, nu het Ontslagbesluit/de Ontslagregeling de
payrollwerkgever en de uitzendwerkgever wederzijds uitsluitend omschrijft
juistop basis van het onderscheidingscriterium ‘al dan niet allocatiefunctie op de arbeidsmarkt.’ Vast staat dat de belanghebbende geen dergelijke allocatiefunctie heeft.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
payrollbedrijf dat mensen in dienst neemt met de bedoeling hen in beginsel blijvend te werk te stellen bij één opdrachtgever/inlener. Waar mogelijk neemt zij ook alle bestaande arbeidsovereenkomsten van haar opdrachtgever met diens werknemers over, zodat de opdrachtgever – behalve een directeur/aandeelhouder – geen werknemers (meer) in dienst heeft en uitsluitend werkt met arbeidskrachten in dienst van de belanghebbende. De werknemers worden niet door de belanghebbende geworven en geselecteerd, maar door haar opdrachtgevers. De arbeidsovereenkomsten met de werknemers bevatten geen uitzendbeding (art. 7:691(2) BW) en hebben dat ook niet bevat.
payrollereen allocatiefunctie (bijeenbrenging van vraag en aanbod) op de markt van (tijdelijke) arbeid vervult. Het Hof overwoog dat er drie soorten
payrollbedrijven zijn en dat de belanghebbende tot de door hem als derde onderscheiden groep behoort:
payrollopdracht overeenkomst; PJW], in dienst neemt en hen aan de betrokken opdrachtgever ter beschikking stelt om onder diens toezicht en leiding arbeid te verrichten, is - naar het oordeel van het Hof: terecht – (…) evenmin in geschil.”
3.Het geding in cassatie
BNB2010/65 [4] volgt dat indeling in sector 45 van een andere vennootschap met dezelfde aandeelhouder en bestuurder (wel) een gedraging is waaruit de belanghebbende mocht opmaken dat die indeling ook in haar situatie zou gelden; ’s Hofs oordeel is althans niet begrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd;
BNB2015/88 [5] en HR
BNB2015/229, [6] waaruit volgt dat de aard van de arbeidsovereenkomsten de sectorindeling bepaalt, zodat beslissend is of het in haar geval om een uitzendovereenkomst als bedoeld in art. 7:690 BW Pro gaat. Dat is haars inziens niet het geval. Zij verwijst naar een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden, [7] dat voor het bestaan van een uitzendovereenkomst een allocatiefunctie een voorwaarde acht. De belanghebbende bestrijdt ‘s Hofs oordeel dat uw eerste kamer zich over dit punt impliciet in voor haar ongunstige zin zou hebben uitgelaten in HR
RvdW2011/66, [8] nu u het cassatieberoep tegen een op dit punt hoogstens impliciet oordeel van de civiele kamer van het Hof Amsterdam met art. 81 RO Pro afdeed.
payrollingdan ook niet als ‘andere driehoeksrelatie’ waarop de uitzendovereen-komst van toepassing is; de in de MvT wél genoemde vormen van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, zoals detachering en arbeidspools, betreffen steeds gevallen waarin het de bedoeling is dat zij voor een beperkte periode ter beschikking worden gesteld en waarin een hoge mate van flexibiliteit bestaat met betrekking tot aanvang en beëindiging van de werkzaamheden. De MvT bij de Flexwet (zie 5.3 hieronder) spreekt dan ook van ‘tijdelijk’ aan derden ter beschikking stellen. De belanghebbende neemt juist bestaande arbeidscontracten van haar opdrachtgevers één op één over. Zij leest ook in HR
BNB2015/88 (de aard van de arbeidsovereenkomsten kan een zodanige invloed hebben op de kans dat werknemers werkloos zullen worden dat indeling in sector 52 is geboden) dat het moet gaan om tijdelijke overeenkomsten. Dat een allocatiefunctie is vereist, blijkt haars inziens ook uit (onderdeel 4.8 van) de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Van Ballegooijen voor HR
BNB2011/235. [10]
payrollbedrijven zoals de belanghebbende. Noch een allocatiefunctie, noch tijdelijkheid komt voor in de wettelijke omschrijving van de uitzendovereenkomst en ook de omschrijving van sector 52 in Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv maakt geen gewag van tijdelijkheid. De Staatssecretaris citeert voorts antwoorden van bewindslieden van na invoering van de Flexwet, naar aanleiding van Kamervragen [11] waaruit volgt dat de (mede)wetgever en de cao-onderhandelingspartners
payrollingals uitzending beschouwen, alsmede uit de conclusie van mijn ambtgenoot Wissink voor HR
RvdW2011/66 [12] (zie hieronder, 6.1). Hij wijst tenslotte op uw arrest HR
BNB2011/235 (in 6.7 hieronder geciteerd) waarin volgens hem “geen beperking van de uitzendovereenkomst is aangebracht”.
BNB2010/65 de belanghebbende niet kan baten, nu zij uit het handelen van de Inspecteur jegens de derde (het vroegere bedrijf van belanghebbendes directeur/aandeelhouder) redelijkerwijs niet mocht afleiden dat dit ook bedoeld was om voor haar te gelden, onder meer niet omdat die derde onjuist is ingedeeld. De Staatssecretaris vat middel (iii) (beroep op de meerderheidsregel van het
gelijkheidsbeginsel) kennelijk op als een beroep op het
vertrouwensbeginsel. Nu de belanghebbende inadequate informatie heeft verstrekt ter zake van de twee werknemers waarvoor zij gesplitst in sector 45 is ingedeeld, kan zij aan die indeling geen vertrouwen ontlenen. De beoordeling van de indeling van
payrollerskan niet, zoals de belanghebbende wil, beperkt worden tot twee bedrijven. Gezien de vele soorten
payrollbedrijven, zoals beschreven in de genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Wissink, kunnen volgens de Staatssecretaris misverstanden ontstaan bij de kwalificatie van die bedrijven, en kan niet te snel worden aangenomen dat sprake is van in rechte te honoreren vertrouwen.
Payrollingmoet onderscheiden worden van uitzending omdat zij geheel verschillende wensen van opdrachtgevers dienen en totaal verschillende doelen dienen. De enige overeenkomst tussen de twee is dat er een driehoeksrelatie is, maar dan wel een compleet andere driehoeksrelatie. De belanghebbende vervult geen arbeidsallocatie-functie en haar website is dan ook niet gericht op personeelswerving, maar op
payroll-opdrachtgevers; zij heeft geen intercedenten in dienst, maar alleen
adminen
sales; haar bedrijf is gevestigd op een industrieterrein waar men niet kan binnenlopen voor een al dan niet tijdelijke baan en waar niet met raamreclame personeel geworven wordt. De belanghebbende heeft niet de voordelen van een uitzendwerkgever, zoals geen ziekterisico en automatische beëindiging van de arbeidsovereenkomst als het werk bij de opdrachtgever eindigt. De wetgever heeft volgens de belanghebbende met de wijziging per 1 januari 2015 van het Ontslagbesluit [13] aangegeven dat een
payroll-arbeidsovereenkomst gelijk gesteld moet worden aan een gewone arbeidsovereenkomst en niet aan een uitzendovereenkomst. Dat besluit definieert de
payrollwerkgever als volgt (blz. 15):
payrollwerkgever en een uitzendwerkgever van elkaar onderschieden omdat de
payrollovereenkomst niet tot stand komt in het kader van samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Zij acht het inconsistent om bij de ontslagbescherming de allocatiefunctie wél maatgevend te achten en bij de WW-premiesectorindeling daaraan juist voorbij te gaan, met het ongewenste gevolg dat een
payrollwerkgever zonder allocatiefunctie wordt geplaatst in de uitzendsector mét allocatiefunctie waar een hoge premie vigeert vanwege de in die sector beperkte ontslagbescherming, maar zich bij ontslag juist moet houden aan de strenge ontslagbeschermingregels bij ‘vast’ personeel. Het Hof (r.o. 4.6.2) acht voorts ten onrechte maatgevend of de overeenkomsten tussen de belanghebbende en haar
opdrachtgeversuitzendovereenkomsten zijn; het gaat immers om de arbeidsovereenkomsten tussen de belanghebbende en de
werknemersvan haar opdrachtgevers. Ter zake van die werknemers spoort de premiehoogte niet met het werkloosheidsrisico (hetgeen wel zou moeten volgens uw jurisprudentie) als de belanghebbende wordt ingedeeld in sector 52.
payroll-overeenkomst een uitzendovereenkomst is, maar dat het er van afhangt. De stelling dat aan het begrip ‘tijdelijk’ geen specifieke betekenis toekomt, acht de belanghebbende onjuist, nu de uitzendovereenkomst juist is ontstaan om tijdelijke arbeid te reguleren en tijdelijkheid typerend is voor de uitzendovereenkomst.
4.Payrolling
payroll-overeenkomst als volgt: [16]
payrolling– het onderscheid tussen uitzending en
payrollingals volgt uiteengezet: [18]
payroll-werknemers uitgelaten over de verhouding tussen
payrollersen uitzendbureaus: [19]
5.De relevante regelgeving
De uitzendovereenkomst naar burgerlijk recht
7. De uitzendovereenkomst
BNB2015/88 heb ik de achtergrond van de financiering van de werknemersverzekeringen als volgt beschreven:
omvattende:
BNB2015/88, de toelichting op het vervallen Besluit indeling uitzendbedrijven van belang geacht voor de toepassing van de thans geldende indeling van uitzendbedrijven. Die toelichting luidde als volgt:
Het indelen van dergelijke werkgevers was geregeld in het zogenaamde Uitleenbesluit van 30 mei 1958, nr. 50996. Ingevolge dit besluit werden werkgevers, ongeacht of zij naast uitleenactiviteiten ook nog andere werkzaamheden verrichtten, vanwege dat uitlenen in beginsel, ongeacht de omvang van dat uitlenen, voor hun gehele onderneming aangesloten bij de voormalige sector 52 Uitleenbedrijven.
Van uitlenen in de hier bedoelde zin was sprake indien de werkzaamheden van de ter beschikking gestelde arbeidskracht werden verricht onder leiding en toezicht van de inlenende opdrachtgever. Wel bestonden daarnaast onder bepaalde voorwaarden mogelijkheden tot vrijstelling van aansluiting bij de sector Uitleenbedrijven.
In de Circulaire van 20 december 1990, nr. 968, heeft de toenmalige SVr een uiteenzetting gegeven over de achtergronden van het Uitleenbesluit en de wijze waarop invulling aan dat besluit werd gegeven. Deze toelichtende circulaire is met het oude Uitleenbesluit per 1 januari 2001 ingetrokken.
Aanleiding tot het nemen van het nieuwe Besluit indeling uitzendbedrijven waren de navolgende ontwikkelingen:
- de ratio van het Uitleenbesluit zoals deze er was ten tijde van de totstandkoming van dit besluit in 1958, namelijk dat het "ronselen" van arbeidskrachten de uitvoeringsorganen voor grote problemen stelde op het gebied van de premie-inning, is komen te vervallen; binnen het hedendaagse maatschappelijke veld is uitlenen van personeel, al dan niet door specifieke uitzendorganisaties, een algemeen (aanvaard) verschijnsel geworden. Uitlenen van personeel is geleidelijk aan een aparte functionele activiteit geworden, die inmiddels ook indelingstechnisch al een eigen plaats heeft gekregen in de vorm van een aparte sector Uitleenbedrijven;
- het verlenen van vrijstelling van aansluiting bij de sector Uitleenbedrijven aan ondernemingen die ten dele uitlenen, was door de jaren heen eerder regel dan uitzondering geworden;
- nieuwe wetgeving: Op 1 juli 1998 is in werking getreden de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi), waarin onder meer de afschaffing van het (uitleen)vergunningensysteem is geregeld. Daarnaast is op 1 januari 1999 ingegaan de wetgeving inzake flexibiliteit en zekerheid (Flexwet), waarin de rechtspositie van de "uitzendkracht" door wijzigingen van het BW is verbeterd.
Gelet op deze ontwikkelingen was er geen aanleiding meer een zodanig strikte en tegelijkertijd ruim geformuleerde regelgeving als opgenomen in het oude Uitleenbesluit te handhaven.
Het oude Uitleenbesluit bracht met zich mee dat ook werkgevers die personeel in vaste dienst hebben en dat personeel in de bedrijven van derden inzetten, toch onder het Uitleenbesluit vielen zodra een zekere mate van leiding en toezicht aan de zijde van de opdrachtgever kon worden vastgesteld. Dit gold ook indien die uitlenende werkgevers contractueel geheel verantwoordelijk waren voor de door dat personeel verrichte activiteiten en vaak een geheel eigen expertise inbrachten. In de praktijk speelde dit bij bijvoorbeeld automatiseringsbedrijven, engineeringsbedrijven en in algemene zin bij bedrijven met een consultancyfunctie, waarbij vaak onontkoombaar is dat ter plekke bij de opdrachtgever werkzaamheden worden verricht.
Al met al was er aanleiding te zoeken naar een zodanige scheidslijn tussen "uitzenden" en niet uitzenden dat op evenwichtige wijze recht wordt gedaan aan de belangen van enerzijds de echte uitzendbranche en anderzijds werkgevers die geheel dan wel ten dele uitlenen zonder (mede) gericht te zijn op (risicodragende) kortlopende uitzendsituaties. De sector 52 Uitleenbedrijven zou dan specifiek gevuld moeten gaan worden met echte uitzendbedrijven en als zodanig omgevormd moeten worden tot een sector 52 Uitzendbedrijven. Overigens had dit tot gevolg dat bij het vullen van een sector Uitzendbedrijven met "echte" uitzendbedrijven, daarin dan ook zoveel als mogelijk alle uitzendsituaties moesten worden ondergebracht en niet alleen werkgevers die zich volgens de gebruikelijke hoofdregel voor meer dan 50% met uitzenden bezighouden.
Als apart aspect speelde nog een rol het gegeven dat dikwijls zeer moeilijk en na tijdrovende en dus kostbare onderzoeken kon worden vastgesteld of leiding en toezicht door de uitlener dan wel door de inlener werden uitgeoefend. Indien mogelijk zou het goed zijn te komen tot een zodanige scheidslijn tussen wel en niet uitzenden, c.q. tot een zodanige definitie van het begrip uitzendbedrijf, dat dergelijke onderzoeken in de toekomst niet meer nodig zouden zijn.
In die Flexwet is de uitzendovereenkomst immers expliciet als speciës van de arbeidsovereenkomst opgenomen.
Wat het echte uitzenden in de dagelijkse praktijk onderscheidt van andere arbeidsrelaties is de mogelijkheid een uitzendovereenkomst direct te laten eindigen zodra de inlener de opdracht staakt (uitzendbeding). In die gevallen behoeft bovendien verder geen loon te worden doorbetaald en komt eventueel ziekengeld direct voor rekening van de uitvoeringsinstelling
Indelingstechnisch zou "uitzenden" toegespitst kunnen gaan worden op die situaties waar sprake is van een uitzendovereenkomst mét daarin opgenomen (als onderscheidend criterium) het uitzendbeding. Met andere woorden, het ter beschikking stellen van arbeidskrachten op de wijze als bedoeld in artikel 7:690 BW Pro, waarbij gebruik is gemaakt van de mogelijkheid een beding op te nemen als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, BW.
Na verloop van tijd kunnen de hier bedoelde uitzendovereenkomsten overgaan in contracten (voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd) zonder uitzendbeding.
Om een zekere continuïteit bij de indeling van uitzendbedrijven te waarborgen c.q. een duiventileffect (herindeling wanneer de loonsomverhouding binnen uitzendbedrijven verandert) tegen te gaan, is voorstelbaar om ook die uitzendovereenkomsten die voortvloeien uit uitzendovereenkomsten met uitzendbeding binnen de uitzendkolom te laten blijven en indelingstechnisch als uitzenden te bestempelen.
Onder het begrip uitzenden zouden ook nog gebracht kunnen worden werkgevers die zich weliswaar niet met het "echte" uitzenden als hier bedoeld bezighouden, maar die materieel wel met echte uitzenders op één lijn gesteld kunnen worden. Gedoeld wordt hier op werkgevers die in meerdere sectoren personeel ter beschikking stellen en waarbij geen specifieke sector valt aan te wijzen waaronder overwegend (dus voor meer dan 50%) personeel ter beschikking wordt gesteld.
Samenvattend: voor definiëring van het begrip uitzenden in indelingstechnische zin kan dan de grens getrokken worden langs:
1. alle uitzendovereenkomsten mét uitzendbeding;
2. alle uitzendovereenkomsten zónder uitzendbeding (dus voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd) die uit de uitzendovereenkomsten mét uitzendbeding (uiteraard met dezelfde werkgever/uitlener) zijn voortgekomen;
3. alle overige, niet onder 1 en 2 genoemde, uitzendovereenkomsten wanneer via de werkgever met wie die overeenkomsten zijn aangegaan niet voor meer dan 50% binnen één sector wordt gewerkt.
Mutatis mutandis geldt één en ander ook buiten het bekende uitzendcircuit voor alle situaties in het bedrijfs- en beroepsleven waarin de genoemde uitzendovereenkomsten worden gebruikt.
Alle overige arbeids-/uitzendovereenkomsten (bepaalde dan wel onbepaalde tijd) vallen niet onder het begrip "uitzenden" als hier bedoeld.”
payroll-werknemers als voor rechtstreekse werknemers van de opdrachtgever. De uitzendwerkgever en de
payroll-werkgever zijn daartoe wederzijds uitsluitend gedefinieerd op basis van de vraag of zij wel of niet een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt vervullen (zie 5.17 en 5.18 hieronder). De mede daartoe strekkende wijziging van het Ontslagbesluit [42] per 1 januari 2015 liep vooruit op het nieuwe ontslagrecht dat sinds 1 juli 2015 geldt op basis van de Wet Werk en Zekerheid en de Ontslagregeling [43] (het Ontslagbesluit is toen ingetrokken [44] ).
payrollwerkgever’ (art. 1 (f) Ontslagregeling;
curs.PJW):
welke niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, een werknemer ter beschikking stelt om in opdracht en onder toezicht en leiding van die derde arbeid te verrichten, waarbij de werkgever die de werknemer ter beschikking stelt alleen met toestemming van die derde gerechtigd is de werknemer aan een ander te beschikking te stellen;”
curs. PJW):
en zodoende vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar te brengenen wiens premieplichtige loonsom op jaarbasis voor ten minste 50% wordt gerealiseerd in het kader van uitzendovereenkomsten als bedoeld in artikel 690 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;”
payroll-bedrijven luid(d)en, voor zover hier van belang:
Artikel 6a.1
payrollwerknemer) omvat art. 20, dat bepaalt:
payroll-werknemers ook geldt voor alle
payroll-arbeidsrelaties die vóór die datum zijn tot stand gekomen. [45]
(Civielrechtelijke) jurisprudentie over de allocatiefunctie bij uitzendovereenkomsten
payrolling-discussie, namelijk dat de uitzendrelatie de inleenrelatie volgt in plaats van andersom”, maar deze zaak ging niet om de vraag die ons bezighoudt, maar om de vraag of (stilzwijgend) een arbeidsovereenkomst tussen de tennisleraar en de inlenende tennisvereniging tot stand was gekomen (een
ABN Amro/Mahli [48] -discussie dus, mijns inziens), waarop het antwoord van de feitenrechter ontkennend luidde, en welk antwoord uw eerste kamer met toepassing van art. 81 RO Pro in stand liet. Mijns inziens werpt deze zaak geen licht op de vraag in welke premiesector een
payrollbedrijf zoals dat van de belanghebbende thuishoort.
consultants, ICT-consulenten en dergelijke die tijdelijk elders gedetacheerd worden om een bepaalde werkwijze te implementeren of te wijzigen, zodat deze detacheerder geen (klassieke) allocatiefunctie vervulde, maar gespecialiseerde kennis en informatie leverde die de inlenende zorginstellingen zelf niet in huis hadden:
payrolling, laat staan in de vorm die de belanghebbende tot de hare heeft gemaakt. Het is duidelijk dat, hoewel in deze civiele zaak wellicht geen sprake is van een klassieke allocatiefunctie (tijdelijke vervanging of opvang), zoals de rechtbank overwoog, er wel degelijk sprake is van – meer gespecialiseerde en meer structurele – allocatie op de markt van vraag en aanbod van gekwalificeerd zorgpersoneel.
De in wetsvoorstel 25263 geopende mogelijkheid van een regime van verminderde rechtsbescherming dient strikt beperkt te blijven tot die situaties waar dit in verband met de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en de allocatieve functie van het uitzendwezen daarin gewenst is.” (Kamerstukken II 1996/1997, 25.264, nr. 5).” (
curs. Hof; PJW).
daadwerkelijk(cursief ktr.) een allocatiefunctie vervult. In dit geval heeft T4T geen enkele allocatieve functie vervuld of willen vervullen. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat, zoals ter zitting is gebleken, de aanbesteding van Openbaar Vervoer en Doelgroepenvervoer Zuidoost-Drenthe bij Taxi Dorenbos per 4 december 2014 is verlengd c.q. aan Taxi Dorenbos is gegund. Taxi Dorenbos kon [eiser] vanaf 4 maart 2015 dus nog steeds goed gebruiken. Waarom zij niettemin medio februari 2015 heeft laten weten dat de werkzaamheden van [eiser] zouden eindigen, heeft zij niet kunnen uitleggen. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat geen geldige uitzendovereenkomst tot stand [is; PJW] gekomen tussen [eiser] en T4T.
payrollwerknemer dezelfde ontslagbescherming biedt als werknemers die op reguliere basis in dienst zijn en de
payrollwerkgever bij een ontslagaanvraag moet aantonen dat zijn
opdrachtgevergoede redenen heeft voor beëindiging van de
payrollovereenkomst.
aan derdenwerd uitgeleend. De Rechtbank overwoog: [55]
payrollbedrijf zoals dat van de belanghebbende voldoende – niet-traditionele – allocatiefunctie vervult om uitzendovereenkomsten aan te nemen. Ook HR
BNB2011/235 [56] betrof de vraag of de werkgever voor de werknemersverzekeringen moest worden ingedeeld in sector 52 of sector 45, maar deze zaak ging om intra-concern terbeschikkingstelling, en het non-allocatiefunctie-argument was noch bij de R , noch bij het hof aangevoerd. Mijn voormalige ambtgenoot Van Ballegooijen achtte in deze zaak op grond van de boven geciteerde parlementaire geschiedenis een allocatiefunctie voorwaarde voor het aannemen van een uitzendovereenkomst (voetnoten niet opgenomen):
aan derdenter beschikking werd gesteld en dat
daaromniet voldaan zou zijn aan de kenmerken die art. 7:690 BW Pro eist. Met het Hof was u van mening dat ook bij uitlening van personeel binnen het eigen concern sprake kan zijn van een uitzendovereenkomst. Omdat het Hof onvoldoende had gemotiveerd dat de arbeid onder toezicht en leiding van de inlener werd verricht, verwees u de zaak naar het Hof ’s-Hertogenbosch, dat de zaak echter niet meer inhoudelijk heeft behandeld. [57] U overwoog:
payrollbedrijf zoals dat van de belanghebbende overneemt van haar opdrachtgevers of aangaat op aanwijzing van die opdrachtgevers als uitzendovereenkomsten moeten worden aangemerkt. Van een dergelijke situatie was in HR
BNB2011/235 immers geen sprake, nu het ofwel ging om klassieke allocatie (het ‘echte’ uitzenden) – zij het binnen concern – ofwel om het ruimere uitzend/allocatie-begrip bedoeld in het Besluit indeling uitzendbedrijven (“uitzenden in indelingstechnische zin”) resp. de parlementaire behandeling van de Flexwet (ook andere driehoeksarbeidsrelaties, zoals detachering en arbeidspools) – zij het binnen concern. In
NTFR2011, 1359 annoteerde De Haan uw arrest als volgt:
7.Literatuur
bij elkaar brengenvan de vraag naar en het aanbod van
tijdelijke arbeid. Deze tweede allocatiefunctie van de uitzendwerkgever op de arbeidsmarkt ontbreekt echter in de definitie van art. 7:690 BW Pro. Het artikel spreekt slechts over terbeschikkingstelling in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever. Op grond van de hiervoor besproken wetsgeschiedenis en het feit dat uit de mededelingen van de minister tot tweemaal toe blijkt dat de terbeschikkingstelling in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf niet alleen inhoudt dat de terbeschikkingstelling van de werknemers een doelstelling van de bedrijfs- of beroepsactiviteiten van de werkgever moet zijn, maar deze tevens een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt dient te vervullen, meen ik dat deze tevens deel uitmaakt van - gelezen dient te worden in - de definitie van art. 7:690 BW Pro. Dit betekent dat de uitzendwerkgever ex art. 7:690 BW Pro zich als uitzender op de markt presenteert en dus enerzijds werknemers werft met het doel deze tijdelijk ter beschikking te stellen aan opdrachtgevers en anderzijds opdrachtgevers zoekt aan wie deze werknemers tijdelijk ter beschikking kunnen worden gesteld.”
payrollbedrijven er onder kunnen vallen. [61] Van Drongelen en Fase [62] betogen dat bij
payrollinggeen sprake is van een uitzendovereenkomst omdat de allocatiefunctie ontbreekt, maar dat standpunt ziet kennelijk op de verminderde ontslagbescherming bij de klassieke uitzendovereenkomst (zie art. 7:691 BW Pro) (voetnoten niet opgenomen):
payrollers(blijvende tewerkstelling, exclusiviteit; overneming van bestaande arbeidscontracten) maar ik meen dat dat niet meebrengt dat betwijfeld zou moeten worden of zij ‘arbeidskrachten ter beschikking stelt’. Dan komt het aan op de term ‘op basis van een uitzendovereenkomst’.
tijdelijkearbeid bij ‘ziek en piek’), maar ook andere driehoeksarbeidsrelaties zoals detachering en arbeidspools, waarbij het om een ruimer allocatiebegrip gaat. Hij wilde echter niet
alledriehoeksarbeidsrelaties onder ‘uitzendovereenkomst’ brengen, met name niet automatiseringsbedrijven of
management consultantsdie een project bij de klant doen dat daartoe enige van hun werknemers mogelijk maandenlang bij de klant op kantoor moeten neerzetten. Aan
payrollbedrijven zoals dat van de belanghebbende heeft de wetgever in 1999 niet gedacht, want die bestonden toen nog niet, zodat we niet weten wat hij gewild zou hebben. Maar eigenlijk moeten wij (minstens) vier categorieën driehoeksarbeidsrelaties onderscheiden:
payrollerszoals de belanghebbende; geen enkele allocatiefunctie; puur formeel werkgeverschap op basis van de arbeidsvoorwaarden van de opdrachtgever; blijvend, exclusief, overname bestaande arbeidscontracten;
consultantsop manoeuvre op locatie.
payrollbedrijven zoals dat van de belanghebbende bestonden in 1999 nog niet, en lijken onder geen van beide begrippen te vallen omdat ze geen enkele allocatiefunctie vervullen, ook niet in de meest ruime zin. In de civiele discussie is de argwaan jegens de later ontstane
payrollbedrijven echter groot omdat sommige – met name andere soorten
payroll-bedrijven dan dat van de belanghebbende - in de kwade reuk kwamen te staan van ontwijking van cao-rechten, van pensioenaansluiting en met name van ontslagbescherming.
consultants). Dat beantwoordt echter niet de vraag of dat ruimere uitzendovereenkomstbegrip zó ruim is dat het ook de ten tijde van de Flexwet en het Besluit indeling uitzendbedrijven niet bekende en niet voorziene gevallen omvat zoals dat van de belanghebbende, waarin van arbeidsallocatie, -bemiddeling of -plaatsing überhaupt geen sprake is.
allepersoneelsgedoe, inclusief pensioengedoe, wil uitbesteden, of slechts een deel. In dat opzicht is haar dienstverlening vergelijkbaar met
factoring: het overnemen van alle debiteuren(gedoe) tegen een vaste prijs. Als belanghebbendes inschakeling de rechten en plichten uit de arbeidsovereenkomst niet wijzigt ten opzichte van die uit de arbeidsovereenkomst die de werknemer en de opdrachtgever al hadden of bij rechtstreekse indiensttreding zouden hebben gehad, en met name het ontslagrisico niet wijzigt, dan hoort de belanghebbende naar doel en strekking van het premiesector-indelingssysteem niet in sector 52, maar in de sector waarin haar opdrachtgever is ingedeeld. Ik maak overigens uit belanghebbendes niet-weersproken stelling dat zij voor haar werknemers pensioenpremie afdraagt aan StiPP op dat er wel degelijk een wijziging in rechten en plichten optreedt, nu de opdrachtgever denkelijk voor zijn pensioenregeling niet was aangesloten bij StiPP, die immers voor uitzenders, detacheerders, arbeidspools en dergelijke is bedoeld. Ook overigens lijkt mij aannemelijk dat als een arbeidscontract weliswaar ongewijzigd overgaat naar de belanghebbende (of met de belanghebbende in plaats van met de opdrachtgever wordt aangegaan) niet dezelfde cao van toepassing zal zijn als de cao die voor de opdrachtgever gold. Dat lijkt mij echter niet van belang voor de ons bezighoudende kwestie, waarvoor alleen het werkloosheidsrisico (de omvang van de kans op beroep op werkloosheidsvoorzieningen), dus de ontslagbescherming van belang is.
payroll-werknemers ex de Ontslagregeling als gevolg van de onmiddellijke werking van die regeling ook voor alle
payroll-arbeidsrelaties die vóór 1 juli 2015 zijn tot stand gekomen (zie 5.21 hierboven). Rationeel lijkt mij dan een naar opdrachtgeverssectoren gesplitste sectorindeling de juiste voor
payrollwerkgevers zoals de belanghebbende. Dat strookt ook met HR
BNB2015/88, [67] volgens welk arrest de aard van de overeenkomst beslissend is:
nietis een uitzendovereenkomst (zie het geciteerde Ontslagbesluit/Ontslagregeling), hoort de belanghebbende mijns inziens niet in sector 52. Zij merkt mijns inziens terecht op dat het contra-rationeel zou zijn om de
payrollwerkgever die geen allocatiefunctie vervult en (daarom) bij ontslag de ‘strenge’ regels moet volgen voor ‘vast’ personeel, in te delen in de sector met de hoge werkloosheidsverzekeringspremie die geldt voor de wél – al dan niet klassiek – allocerende uitzend/detacheersector vanwege het daar vigerende hogere werkloosheidsrisico.
9.Beoordeling van middel (i)
payrollwerkgever en die van uitzendwerkgever elkaar wederzijds uit,
juistop basis van het onderscheidende criterium van het al dan niet bestaan van een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt.
payrollerszoals de belanghebbende onder de cao’s van hun opdrachtgevers.