Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Kamino en Datemavan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt echter dat een dergelijke schending eerst tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Het Hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Het eerste cassatiemiddel faalt daarom.
2.Feiten en procesverloop
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelkomt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging niet is geschonden.
tweede cassatiemiddelbetoogt belanghebbende dat het Hof met zijn oordeel, dat de in het vrije verkeer gebrachte goederen de niet-preferentiële oorsprong China hebben, het recht – met name artikel 24 van Pro het CDW – heeft geschonden en dat oordeel onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd.
derde cassatiemiddelheeft betrekking op het in het CDW gecodificeerde vertrouwensbeginsel. In dit middel bestrijdt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW en dat het vertrouwensbeginsel niet aan navordering in de weg staat.
Faroe Seafood [21] . Zij leidt uit dat arrest af dat autoriteiten waarmee geen wederzijdse afspraken zijn gemaakt, wel een actieve gedraging kunnen verrichten op grond waarvan vertrouwen ontstaat.
HR BNB 2009/284 [22] . Zij is van mening dat, hoewel in dit arrest voorafgaand aan de passieve veredeling (het niet controleren) een actieve gedraging (een fysieke controle) heeft plaatsgevonden, een beroep kan worden gedaan op de omstandigheid dat de douaneautoriteiten aansluitend aan de fysieke opnames stil zijn gaan zitten. Ook meent belanghebbende dat het ontbreken van een plicht tot verificatie niet in de weg staat aan toepassing van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. Indien dat anders zou zijn, zou een beroep op dat artikel feitelijk geheel niet meer mogelijk zijn, aldus belanghebbende.
vierde cassatiemiddelkomt op tegen het oordeel van het Hof dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend en geen griffierechten worden vergoed. Belanghebbende licht dit cassatiemiddel als volgt toe. Nu naar ’s Hofs oordeel de stelling van belanghebbende, dat het missierapport integraal ter beschikking moest worden gesteld, slaagt, had het Hof het hoger beroep gegrond moeten verklaren en de Inspecteur moeten veroordelen in de proceskosten en de griffierechten.
eerste cassatiemiddelmeent de Staatssecretaris dat belanghebbende op de hoogte moet worden gesteld van het standpunt van de Inspecteur, zodat zij zich hiertegen kan verweren. Het is zijns inziens niet noodzakelijk alle mogelijke informatie over te leggen alvorens het bezwarende besluit wordt vastgesteld. Van belang is dat de aankondiging in genoegzame mate de elementen bevat waarop de Inspecteur zijn besluit wil baseren. In een latere fase kan vervolgens nog door beide partijen bewijs worden vergaard en worden overgelegd. De gemachtigde van belanghebbende heeft het gehele missierapport, inclusief alle bijlagen, ongeclausuleerd in mogen zien. Ook is een afschrift met de bijlagen inzake [C] aan de gemachtigde ter beschikking gesteld. De niet verstrekte bijlagen van het missierapport inzake een onbekende exporteur kennen – zoals het Hof terecht heeft geoordeeld – een evenknie in de wel verstrekte bijlagen die betrekking hebben op [C] . Van een schending van het Handvest is volgens de Staatssecretaris geen sprake. De informatie over de Italiaanse zendingen is bijgevoegd om de aard en omvang van de door [C] verrichte werkzaamheden te illustreren. De Inspecteur is niet gehouden na te gaan wat met deze Italiaanse zendingen is gebeurd, aldus de Staatssecretaris.
tweede cassatiemiddelkan volgens de Staatssecretaris evenmin tot cassatie leiden. ’s Hofs oordeel dat aannemelijk is dat [C] in de jaren 2007 en 2008 lampen heeft vervaardigd door de assemblage van een drietal Chinese halffabricaten, is volgens de Staatssecretaris van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Het Hof is zijns inziens niet gehouden specifieke argumenten te benoemen. Het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een oorsprong bepalende assemblagehandeling is eveneens van feitelijke aard. ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de ingevoerde spaarlampen van niet-preferentiële Chinese oorsprong zijn, berust naar zijn mening op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk. Niet is vereist dat het Hof alle berekeningen van OLAF moet kunnen controleren.
derde cassatiemiddelis de Staatssecretaris, onder verwijzing naar onder meer
Hit Trading [23] en Schenker [24] , van mening dat de Thaise autoriteiten geen in rechte te honoreren vertrouwen kunnen wekken. De Staatssecretaris onderschrijft het oordeel van het Hof dat de Thaise autoriteiten niet als ‘douaneautoriteiten’ in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW kunnen worden aangemerkt. Ook kan het ‘stilzitten’ van de Inspecteur niet als vergissing in de zin van het genoemde artikel worden aangemerkt, omdat het CDW - gelet ook op de considerans - niet de verplichting oplegt aangiften stelselmatig te controleren.
vierde cassatiemiddelkan evenmin tot cassatie leiden. De Staatssecretaris meent dat het hoger beroep terecht ongegrond is verklaard. Bij een ongegrondverklaring wordt in beginsel geen proceskostenvergoeding toegekend. Het Hof mag van deze regel afwijken, maar is daartoe niet gehouden. Een nadere motivering is hiervoor niet vereist, aldus de Staatssecretaris.
5.Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (middel I)
Sopropé [26] overwoog het HvJ dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging ook voor inwerkingtreding van het Handvest heeft te gelden als een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen (punt 36). Ik verwijs in verband hiermee ook naar punt 69 van
Kamino International Logistics BV en Datema Hellmann Worldwide Logistics BV [27] (hierna:
Kamino en Datema)en de punten 21 en 22 van
Åkerberg Fransson [28] .Dit uitgangspunt geldt mijns inziens eveneens voor de andere grondrechten die thans in het Handvest zijn opgenomen, zoals het door belanghebbende genoemde beginsel van behoorlijk bestuur en het recht op inzage van stukken. Ik citeer uit
Kamino en Datema:
ZZ [30] , gaat het HvJ nog verder en geeft hij uitleg aan artikel 47 van Pro het Handvest met betrekking tot een situatie die zich heeft voorgedaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Handvest, zonder te benoemen dat het daarin neergelegde grondrecht in de betreffende periode al deel uitmaakte van de algemene beginselen van de Unie.
Kamino en Datema). Met dergelijke ‘elementen’ wordt bedoeld: de gronden van het betrokken besluit. Over de hiervoor genoemde zaak
ZZ, waarin de betrokken autoriteit niet de precieze en volledige redenen had meegedeeld die de grondslag vormden voor het betrokken besluit, overweegt het HvJ het volgende (cursivering CE):
gronden waarop het jegens hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door lezing van het besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld, onverminderd het recht van de bevoegde rechter om te eisen dat de betrokken autoriteit hem die redenen meedeelt (arresten van 17 maart 2011, Peñarroja Fa, C‑372/09 en C‑373/09, Jurispr. blz. I‑1785, punt 63, en 17 november 2011, Gaydarov, C‑430/10, Jurispr. blz. I-11637, punt 41), teneinde hem de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden, en teneinde deze laatste ten volle in staat te stellen om de wettigheid van het betrokken nationale besluit te toetsen (zie in die zin arresten van 15 oktober 1987, Heylens e.a., 222/86, Jurispr. blz. 4097, punt 15, en 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, Jurispr. blz. I‑6351, punt 337).”
ZZen
Unitrading.
rechterlijke faseen dus niet, zoals te dezen, in de fase voorafgaande aan de uitreiking van de utb’s. In
Unitradingoverweegt het HvJ over de gerechtelijke fase onder meer:
.Uit de rechtspraak van het Hof blijkt ook dat met betrekking tot de gerechtelijke procedure de procespartijen, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, dat deel uitmaakt van de rechten van de verdediging als bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest, het recht moeten hebben om kennis te nemen van alle stukken of opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegd teneinde invloed uit te oefenen op diens beslissing, en daarover standpunten uit te wisselen. Indien een rechterlijke beslissing wordt gebaseerd op feiten en documenten waarvan de partijen, of een van hen, zelf geen kennis hebben kunnen nemen en waarover zij dus geen standpunt hebben kunnen innemen, zou dit immers in strijd zijn met het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte (arrest ZZ, EU:C:2013:363, punten 55 en 56 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
nredelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld.
Makarubega [32] overweegt het HvJ dat een particulier aan die bepaling om die reden geen rechten kan ontlenen. Het recht om te worden gehoord, zoals verankerd in artikel 41, lid 2, onder (a) van het Handvest, maakt echter wel integraal deel uit van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, zijnde een algemeen beginsel van Unierecht. En, zoals we al eerder hebben gezien, kan belanghebbende zich op dat beginsel wel direct beroepen, nu zij adressaat is van een bezwarend besluit dat de Belastingdienst heeft genomen. Het HvJ overwoog in
Makarubega:
Kamino en Datemater zake het volgende overwogen:
procedurele autonomie. Op grond van dit beginsel wordt de inrichting van die procedures overgelaten aan de lidstaten. Daarbij dienen de grenzen in acht te worden genomen zoals die worden gevormd door, met name, het
gelijkwaardigheids- en het
doeltreffendheidsbeginsel. Het uitgangspunt van de procedurele autonomie is van belang omdat communautaire maatregelen die rechtstreeks ingrijpen op het nationale bestuursprocesrecht verstrekkende gevolgen kunnen hebben doordat procedures, die in de afzonderlijke lidstaten op zeer uiteenlopende manieren zijn ingericht, vaak tegelijkertijd van toepassing zijn op het gehele nationale administratieve of belastingrecht (hetgeen in Nederland met de Awb het geval is). Om die reden beperkt het optreden van de communautaire wetgever zich tot “bepaalde algemene aspecten van het recht op beroep”.”
Kamino en Datemareeds uitgelaten over de verenigbaarheid van deze regeling met het Unierecht. Deze regeling ziet echter enkel op het ‘hoor-element’ van het verdedigingsbeginsel. Afdeling 4.1.2 van de Awb omvat geen bepalingen ter zake van het ‘inzage-element’.
HR BNB 2008/161 [39] :
HR BNB 2013/226 [40] en het overzichtsarrest
HR BNB 2015/129 [41] . Daaruit volgt – kort gezegd – dat onder ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ moet worden verstaan alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld.
Kamino en Datemavolgt dat een schending van het verdedigingsbeginsel pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Ik verwijs in verband hiermee ook naar punt 2.3.2 van de eindarresten van de Hoge Raad in deze zaken:
HR BNB 2015/186 [42] en
HR BNB 2015/187 [43] . Het Hof heeft in punt 5.5 van zijn uitspraak (ten overvloede) geoordeeld dat deze procedure onder andere omstandigheden geen andere afloop zou kunnen hebben gehad. Het Hof heeft dus de juiste ‘toverformule’ toegepast. Het oordeel van het Hof is naar mijn mening – gelet op de bevindingen van het door OLAF opgemaakte missierapport zoals dat na het opleggen van de eerste utb aan belanghebbende is verstrekt – niet onbegrijpelijk.
de gevolgendie aan deze
niet-nakomingdienen te worden verbonden, geldt het volgende. De
niet verstrekte bijlagen hebben, blijkens de kenbare tekst van het missierapport,
betrekking op een andere exporteuren niet op [C] . Belanghebbende heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij
belang heeft bij inzage in de niet overgelegde bijlagen, betreffende de andere exporteur, omdat zij daarmee
de methode en de diepgang van het OLAF-onderzoek en de daaruit getrokken conclusies beter kan beoordelen. Het Hof overweegt in dit verband dat, afgezien van de namen van de betrokken bedrijven,
de bevindingen van de OLAF-missie ten aanzien van de andere exporteuren de daaruit getrokken conclusies uit het geanonimiseerde rapport
reeds volledig kenbaar zijn voor belanghebbende. De
niet-verstrekte annexenbetreffende de onbekende exporteur
kennenbovendien, blijkens de in de index vermelde naam van deze annexen,
een evenknie in de wél verstrekte annexendie betrekking hebben op [C] . Het Hof verbindt daarom aan de niet overlegging van de annexen betreffende de andere exporteur, gelet op artikel 8:31 Awb Pro, geen gevolgen.”
Unitradingacht ik dit oordeel juist. Zoals gezegd neem ik aan dat het Hof deze vraag heeft beoordeeld aan de hand van de Awb. In dat kader is
HR BNB 2015/46 [44] van belang. Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting stukken over te leggen is het, zo oordeelt de Hoge Raad, op grond van artikel 8:31 Awb Pro aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te verbinden die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim. Uit
HR BNB 2015/119 [45] volgt dat de rechter geen toepassing mag geven aan het bepaalde in artikel 8:31 Awb Pro zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. Hoewel ik in de stukken niet heb kunnen terugvinden dat het Hof belanghebbende deze gelegenheid heeft geboden, klaagt belanghebbende daarover in cassatie niet. Gelet op hetgeen ik in het voorgaande heb opgemerkt, kan mijns inziens aan een eventuele schending van deze verplichting worden voorbijgegaan.
6.Niet-preferentiële oorsprong van goederen (middel II)
vijf jaar nadat hij is ingesteldof
vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoekdat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad,
tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat
het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de Gemeenschap geopend en
de maatregel blijft van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn.
de douanerechten, en
Transport Maatschappij Traffic [61] volgt dat antidumpingrechten onder de hiervoor genoemde “overige in het kader van andere communautaire voorschriften vastgestelde tariefmaatregelen” vallen. In punt 23 van dat arrest overwoog het HvJ:
de opstelling en de afgifte van oorsprongscertificaten.”
de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerkingheeft plaatsgevonden die
hetzijtot de fabricage van een
nieuw produktheeft geleid,
hetzijeen
belangrijk fabricagestadiumvertegenwoordigt.”
Brother International [66] – waar het nog ging om artikel 5 van Pro Verordening (EEG) nr. 802/68 [67] van de Raad van 27 juni 1968, de voorloper van artikel 24 van Pro het CDW – dat betrekking had op de enkele assemblage van kant en klaar ingevoerde onderdelen van elektronische schrijfmachines –, het volgende (met mijn cursivering): [68]
laatste ingrijpende verwerking of bewerkinghet
doorslaggevende criteriumis. Deze uitlegging vindt overigens bevestiging in norm 3 van bijlage D.1 bij de Internationale Overeenkomst (…) Deze norm luidt als volgt: “Wanneer twee of meer landen betrokken zijn bij de produktie van goederen, wordt hun oorsprong bepaald volgens het criterium ‘ingrijpende verwerking’."”
Brother International [69] dat eenvoudige assemblagehandelingen niet kunnen worden aangemerkt als ingrijpende be- of verwerking (cursivering CE):
Niet als ingrijpende verwerking of bewerkingmogen worden beschouwd
de behandelingen die in het geheel niet of slechts in geringe mate bijdragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappenvan de goederen, en met name de behandelingen die
uitsluitendbestaan uit één of meer van de volgende verrichtingen:
eenvoudige assemblagehandelingen;
eenvoudige assemblagehandelingen zijn te beschouwen die welke
geen personeel vergendat
bijzonder gekwalificeerdis
voor de betrokken werkzaamheden,
noch geperfectioneerd werktuig,
noch speciaalvoor de assemblage
uitgeruste fabrieken. Van
dergelijke handelingen kan niet gezegd worden, dat zij
bijdragen tot de wezenlijke kenmerken of eigenschappenvan de betrokken goederen.
vanuit technisch oogpunten gelet op de omschrijving van het betrokken goed
de bepalende produktiefase uitmaakttijdens
welke de bestemmingvan de
gebruikte samenstellende delen wordt geconcretiseerden het betrokken goed zijn
specifieke kwalitatieve eigenschappen verkrijgt”
Hoesch Metals and Alloys [71] . Het HvJ overwoog in dit arrest dat het voortgebrachte product eigenschappen moet hebben en een specifieke samenstelling moet vertonen die het vóór die bewerking niet bezat: (cursivering CE):
de laatste ver- of bewerking slechts “ingrijpend” isin de zin van artikel 24 van Pro het douanewetboek, wanneer het aldus
voortgebrachte product eigenschappen heeft en een specifieke samenstelling vertoontdie het
vóór die ver- of bewerking niet bezat.
Verrichtingen die de uiterlijke verschijningsvorm van een product beïnvloeden met het oog op het gebruik ervan,
zonderevenwel tot een
aanzienlijke kwalitatieve wijziging van de eigenschappenervan te leiden,
kunnen de oorsprongvan dat product
niet bepalen((…)Gesellschaft für Überseehandel, (…) punt 6; arrest van 23 februari 1984, Zentrag, 93/83, Jurispr. blz. 1095, punt 13, en arrest HEKO Industrieerzeugnisse, (…) punt 28).
Brother International(cursivering CE): [72]
met de door de assemblage verkregen toegevoegde waardeals
subsidiair criterium.
hoe groot de toegevoegde waarde moet zijn om bepalend te zijn voor de oorsprong van het betrokken produkt, moet als
uitgangspuntworden genomen, dat
alle betrokken assemblagehandelingen te zamen genomentot een
aanmerkelijke verhogingvan de
handelswaarde van het eindprodukt af fabriekmoeten leiden. Daarbij moet in ieder
afzonderlijk gevalworden nagegaan, of
de groottevan de in het land van assemblage toegevoegde waarde het
in vergelijking totde in andere landen toegevoegde waarde
rechtvaardigt, dat het land van assemblage als land van oorsprong wordt beschouwd.
geprefabriceerde, uit een
ander land afkomstige onderdelenniet om aan te nemen, dat het aldus verkregen produkt van oorsprong is uit het land van assemblage, wanneer de aldaar toegevoegde waarde
aanmerkelijk lageris dan de in het andere land toegevoegde waarde. In een dergelijk geval kan een toegevoegde waarde van minder dan 10% - welk cijfer overeenkomt met de door de Commissie in haar opmerkingen gemaakte raming — in geen geval voldoende worden geacht om aan te nemen, dat het eindprodukt van oorsprong is uit het land van assemblage.”
Hoesch Metals and Alloys [76] leid ik af dat deze list rules slechts hulpmiddelen – en derhalve niet bindend – zijn. [77] Het HvJ overwoog (cursivering CE): [78]
toepasbaarheidvan de
list rulesbetreft, zij eraan herinnerd dat het Hof in zijn arrest van 10 december 2009, HEKO Industrieerzeugnisse (C-260/08, Jurispr. blz. I‑00000, punten 20 en 21), heeft geoordeeld dat hoewel de door de Commissie
vastgestelde list rules ertoe bijdragen, de niet-preferentiële oorsprong van goederen te bepalen, zij rechtens niet bindend zijn. De inhoud van deze regels moet derhalve
in overeenstemming zijnmet de
oorsprongsregels, zoals die welke in artikel 24 van Pro het douanewetboek is vervat, en mag de
strekking daarvan niet wijzigen. Deze beoordeling geldt ook voor de aantekeningen.
be- of verwerkingen vaststaatof op grond van vastgestelde feiten het
vermoeden is gewettigddat
daarmee slechts ontduiking wordt beoogdvan de
bepalingendie in de Gemeenschap op
goederen uit bepaalde landen van toepassing zijn, kunnen de
daardoor verkregen goederenin
geen gevalworden geacht op grond van artikel 24 van Pro
oorsprongte zijn
uit het landwaar deze
be- of verwerkingenhebben plaatsgevonden.”
7.Artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW (middel III)
preferentiële statusvan de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, wordt de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat aangemerkt als een vergissing, in de in de eerste alinea bedoelde zin, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt.
echter niet als een vergissingaangemerkt, wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.
preferentiële behandelinggeëerbiedigd werden.
evenwelgeen goede trouw inroepen wanneer de Commissie een bericht in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappenheeft bekendgemaakt volgens hetwelk er gegronde twijfel bestaat ten aanzien van de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land;”
Voor het bijzondere gevalvan de
preferentiële regelingenmoeten de begrippen “vergissing van de douaneautoriteiten” en “goede trouw van de belastingschuldige” gedefinieerd worden; de belastingschuldige moet niet verantwoordelijk worden gesteld voor een gebrek in het systeem dat is veroorzaakt door een vergissing van de autoriteiten van een derde land. De afgifte van een onjuist certificaat door die autoriteiten moet evenwel niet als een vergissing worden beschouwd als het certificaat is gebaseerd op een verzoek dat onjuiste informatie bevat. De onjuistheid van de door de exporteur in zijn verzoek verstrekte informatie moet worden beoordeeld op basis van alle in dat verzoek vermelde feiten. De belastingschuldige kan zijn goede trouw inroepen wanneer deze kan aantonen dat hij blijk heeft gegeven van zorgvuldigheid, behalve wanneer in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappeneen bericht is bekendgemaakt volgens hetwelk gegronde twijfel bestaat.
”
Mecanarte [82] dat de vergissingen (met mijn cursivering):
alle vergissingen omvatteninzake de uitlegging of de toepassing van de voorschriften betreffende de
rechten bij invoerof bij uitvoer, die de belastingschuldige niet redelijkerwijze kon ontdekken, wanneer zij het gevolg zijn van een
actieve gedraging, hetzij van de tot navordering
bevoegde autoriteiten, hetzij van de autoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer.
Uitgeslotenzijn derhalve de vergissingen die zijn veroorzaakt door onjuiste verklaringen van de belastingschuldige, behoudens de gevallen waarin de onjuistheid van die verklaringen slechts het gevolg zou zijn van door de bevoegde autoriteiten verstrekte onjuiste gegevens waaraan die autoriteiten gebonden zijn.”
Mecanarte(punt 22) en
Faroe Seafood(punt 88) dat autoriteiten van het land van uitvoer die zijn betrokken bij de overlegging van gegevens die in aanmerking worden genomen bij de heffing van de douanerechten, zijn te beschouwen als bevoegde autoriteiten.
Faroe Seafood [89] kan mijns inziens niet slagen. In punt 3 van dat arrest is het volgende overwogen (met mijn cursivering):
artikel 2, lid 2, en bijlage II bij verordening nr. 2051/74worden schaal-, schelp- en weekdieren van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer vrij van douanerechten in het Verenigd Koninkrijk ingevoerd. Krachtens
artikel 5, lid 2, van deze verordening, thans artikel 4, lid 2, (…) is
de toepassing van de tariefverlagingen afhankelijk van
de overlegging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1, dat
door de bevoegde autoriteitenvan de Faeröer
wordt afgegeven bij de uitvoervan de goederen waarop het betrekking heeft. In
verordening nr. 3184/74zijn de
criteria neergelegd waaraan de goederen moeten voldoen om
als van oorsprong uit de Faeröer te worden beschouwd. (…)”
Nederlandsedouaneautoriteiten zich hebben vergist. In de onderhavige zaak is tussen partijen niet in geschil dat de Nederlandse douaneautoriteiten, indien zij zich (mogelijk) hebben vergist, bevoegde autoriteiten zijn in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. Aan voorwaarde (1a) (genoemd in punt 7.7) is derhalve voldaan.
DP Grup [90] leid ik af dat de douaneautoriteiten niet de verplichting hebben om stelselmatig aangiften ten invoer te controleren en indien geen verificatie wordt uitgevoerd, de invoer in het vrije verkeer plaatsvindt aan de hand van de op de aangifte vermelde informatie. Het is de verantwoordelijkheid van de aangever om er voor te zorgen dat de informatie in de aangifte juist is. Zie de punten 37 tot en met 39 van
DP Grup:
HR BNB 2009/284 [91] gingen de douaneautoriteiten gemiddeld twee of drie keer per jaar over tot daadwerkelijk opname van de goederen, zonder dat dat tot correcties heeft geleid. Dit was de actieve gedraging en niet het stilzitten van de douane, zodat belanghebbende tevergeefs op dat arrest een beroep doet.
Van Gend & Loos/Commissie [92] .