In deze bestuursrechtelijke zaak over douanerechten betrof het geschil de bewijsvoering omtrent de oorsprong van ingevoerde knoflookbollen, waarbij het hof zich baseerde op onderzoeksrapporten van een Amerikaans laboratorium dat geen volledige openheid van zaken gaf over de onderliggende gegevens.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het de onderzoeksresultaten betrouwbaar achtte, terwijl belanghebbende de validiteit van deze rapporten gemotiveerd had betwist met verwijzing naar een Schots laboratorium. De Hoge Raad stelde dat het hof niet volstaan mocht met een algemeen oordeel over betrouwbaarheid zonder inzichtelijke weging van de argumenten.
Daarnaast werd bevestigd dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging niet vereist dat een bestuursorgaan actief meewerkt aan het verzamelen van bewijs door de belanghebbende, maar wel dat deze gelegenheid krijgt om zijn opmerkingen kenbaar te maken.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof ook deskundigen kan benoemen om de bewijskracht van het onderzoek te toetsen. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.