Conclusie
2. Accon AVM Accountants B.V.
(hierna gezamenlijk [eisers] en afzonderlijk [eiser 1] respectievelijk Accon)
1.Feiten
Beperking in het gebruik (en verspreidingskring)
“advisering/begeleiding bedrijfsovername ten behoeve van [A] B.V., conform afspraak met de heer [betrokkene 5].”
2.Procesverloop
(…)”
3.Bespreking van de klachten
Vie d'Or IIbuiten discussie dat de accountant bij de jaarrekeningcontrole een zorgplicht heeft jegens derden. [9] Een belangrijke argument hiervoor is dat ook derden hun gedrag moeten kunnen afstemmen op de informatie van de controlerend accountant en bij het nemen of handhaven van hun (financiële) beslissingen erop moeten kunnen vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is. [10] Deze taakuitoefening van de accountant dient dus mede een wezenlijk publiek belang. [11] In de literatuur wordt een dergelijke zorgplicht jegens derden ook aangenomen voor wat betreft de andere wettelijke taken van de accountant. [12]
eerste onderdeelricht zich tegen rov. 3.11 en 3.12 , waarin het hof beoordeelt of op [eiser 1] jegens [verweerster] een zorgplicht rustte. Het onderdeel voert daartoe
onder punt 1aan dat het oordeel van het hof dat [eiser 1] geen waarborgen heeft getroffen om te voorkomen dat zijn rapport zou worden gebruikt ten behoeve van de waardebepaling van de aandelen in het licht van de gedingstukken (zonder nadere motivering), onbegrijpelijk is. [eiser 1] heeft in zijn rapport uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat het rapport niet zonder zijn toestemming voor andere doeleinden gebruikt mag worden. Nu hem was opgedragen om onderzoek te doen naar de opgestelde projectie, kan dit niet anders worden begrepen dan dat het rapport niet voor een ander doel mocht worden gebruikt dan het verschaffen van inzicht in het realiteitsgehalte van de aan [eiser 1] voorgelegde projectie. [eiser 1] heeft bovendien in het rapport diverse voorbehouden en slagen om de arm gemaakt.
of[eiser 1] een zorgplicht jegens [verweerster] had. De met onderdeel 1 aangevallen overwegingen hebben in dit kader in feite betrekking op de vraag of de belangen van [verweerster] voor [eiser 1] kenbaar waren en of hij daarmee rekening had moeten houden. De vraag of [eiser 1] een zorgplicht heeft
geschondenjegens [verweerster], komt later in het arrest aan de orde (rov. 3.13-3.21). Met name hetgeen het hof in rov. 3.20 overweegt is dragend voor zijn oordeel dat [eiser 1] zijn zorgplicht jegens [verweerster] heeft geschonden. Het hof maakt daarbij gebruik van deels dezelfde argumenten als die in rov. 3.11, die daar uitgebreider uiteengezet worden. Dit brengt mee dat de bestreden rechtsoverwegingen worden gelezen in samenhang met rov. 3.20.
voorkomendat het rapport wordt gebruikt
ten behoeve vande aandelenwaardering. Daarvoor zijn de genoemde omstandigheden te onduidelijk en te weinig concreet. Zelfs indien het hof al gehouden was om zelfstandig het rapport te beoordelen, is het door het hof gegeven oordeel daarmee niet onbegrijpelijk.
nietzo heeft omschreven dat aandeelhouders daar buiten zouden vallen.
onder punt 3alleen een voortbouwklacht, die geen afzonderlijke bespreking behoeft. Het eerste onderdeel faalt.
tweede onderdeelis gericht tegen rov. 3.20 en 3.21 van het arrest van 20 januari 2015, waar het hof oordeelt – kort gezegd – dat [eiser 1] in zijn zorgplicht jegens [verweerster] tekort is geschoten door niet uitdrukkelijk in het rapport te vermelden dat het niet op enigerlei wijze mocht worden gebruikt voor een aandelenwaardering.
onder punt 4van de cassatiedagvaarding getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. De klacht komt erop neer dat nu [eiser 1] er geen rekening mee behoefde te houden dat de andere aandeelhouders zouden proberen om de aandelen van [verweerster] tegen haar wil te verwerven, niet valt in te zien waarom hij toch uitdrukkelijk in zijn rapport zou moeten vermelden dat het rapport niet gebruikt mocht worden voor een aandelenwaardering.
Voor zover [eisers] verwijzen naar de in het rapport opgenomen voorbehouden, is te verwijzen naar punt 3.9 en 3.10 van deze conclusie. Het oordeel van het hof hierover in rov. 3.20, tweede gedachtestreepje, grijpt ook terug op wat het hof daarover in rov 3.11 heeft overwogen, zo blijkt uit de woorden ‘zoals overwogen’.
op enigerlei wijzete worden gebruikt voor een aandelenwaardering, is dit oordeel volgens de klacht onbegrijpelijk. Geen rechtsregel verhindert immers dat een aandeelhouder, zolang hij die keuze bewust maakt, zijn aandelen verkoopt tegen een prijs die (mede) is gebaseerd op een rapport van een onderzoek van beperkte omvang en diepgang zoals dat in het onderhavige geval door [eiser 1] is verricht.
zonder meer een voldoende grondslagte bieden voor een aandelenwaardering. Dit laatste moge zo zijn, maar het hof heeft terecht niet vastgesteld dat [eiser 1] reden had om ervan uit te gaan dat zijn rapport als voldoende grondslag voor de aandelenwaardering gebruikt zou worden, maar slechts dat [eiser 1] er rekening mee had moeten houden dat zijn rapport
enigerlei rolzou kunnen gaan spelen in de aandelenwaardering, aldus het onderdeel.
jegenseen ander een onrechtmatige daad pleegt …’. In art. 6:163 BW Pro wordt het woord ‘jegens’ dan uitgewerkt. [22] Het relativiteitsvereiste fungeert daarmee als een correctiemogelijkheid om al te ruime aansprakelijkheid te voorkomen.
De werking van het relativiteitsvereiste in de praktijk is niet altijd eenvoudig te doorgronden. Soms zoomt het vereiste in op de normschending en vertaalt de toepassing van het relativiteitsvereiste zich in een onderzoek naar de
strekkingvan de geschonden norm. De in dit kader ontwikkelde rechtspraak heeft met name betrekking op de schending van publiekrechtelijke normen en de vraag of de betreffende norm al dan niet strekte tot de bescherming van de betrokken belangen. Soms richt de toepassing van het relativiteitsvereiste zich meer op de
schadedie de betrokkene heeft geleden en daarmee op de vraag of het voorkomen van díe schade wel lag besloten in de betrokken norm. Ten slotte kan het relativiteitsvereiste betrekking hebben op
de wijze waaropde schade is geleden.
1. heeft de gedaagde een onrechtmatige daad
jegens eisergepleegd?
2. zo ja, was de schade waarvan eiser vergoeding vordert met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg te voorzien?
3. zo ja, blijkt wellicht dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden?”
jegens[verweerster], ligt een bevestigende beantwoording van die vraag besloten in ’s hofs arrest. Het hof heeft in rov. 3.11 en 3.12 immers eerst uitvoerig stilgestaan bij de vraag of op [eiser 1] een zorgplicht jegens [verweerster] rustte en, na een bevestigend beantwoording van die vraag, in rov. 3.20 geoordeeld dat [eiser 1] die zorgplicht heeft geschonden. Daarmee is gegeven dat [eiser 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerster], zodat in zoverre aan het vereiste van relativiteit is voldaan. De overwegingen betreffende de relativiteit zijn hier verweven in de (ongeschreven) zorgvuldigheidsnorm, zoals ook in de rechtspraak van de Hoge Raad soms voorkomt. [26]
Het relativiteitsvereiste is nauw verbonden met het vereiste van causaliteit (art. 6:98 BW Pro). Die verbondenheid komt met name naar voren bij de het tweede en derde aspect van het vereiste, of de normschending kan leiden tot aansprakelijkheid voor
dezeschade(post). De relatie tussen het leerstuk van causaliteit en het relativiteitsvereiste blijkt ook uit de ontwerp-tekst die vooraf ging aan het huidige art. 6:162. Die luidde als volgt (art. 6.3.2 lid 1): [27]
kijkt vanuit de norm vooruitof die de strekking heeft te beschermen tegen de geleden schade en de causaliteit
kijkt terug vanuit de schadeen stelt de vraag of deze in redelijkheid valt toe te rekenen aan de onrechtmatige daad. [31]
jegens[verweerster] ligt ook vast, zoals aan de orde kwam onder punt 3.27. In de schadestaatprocedure kan echter wel worden geoordeeld over alles wat de ‘inhoud en omvang’ van de verplichting tot schadevergoeding betreft. [34] Daaronder vallen naar vaste rechtspraak ook vragen over het causaal verband. [35]
jegens[verweerster], zodat de grondslag van aansprakelijkheid vaststaat – goed verdedigbaar dat de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan toewijzing van de door haar gevorderde schade, tezamen met de causaliteitsvragen beoordeeld moet worden in de schadestaatprocedure. De beantwoording van deze vraag vergt immers dat eerst helder is van
welke schadeposten[verweerster] precies vergoeding vordert. In de onderhavige procedure bestaat daarover nog geen uitsluitsel, nu zij immers verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft gevorderd, waarvoor voldoende is dat aannemelijk is dat schade is geleden (zie daarover nader bij de bespreking van onderdeel 4). In die schadestaatprocedure moet dan voor elke afzonderlijke schadepost worden beoordeeld of voldaan is aan het relativiteitsvereiste. Concreet betekent dit dat in de schadestaatprocedure per schadepost zal moeten worden beoordeeld of de door [eiser 1] geschonden norm zich uitstrekte tot het voorkomen van díe schade en díe wijze van ontstaan van schade. Sterker geformuleerd: het is moeilijk voor te stellen hoe een beoordeling of
per schadepostvoldaan is aan het relativiteitsvereiste, kan plaatsvinden in de onderhavige hoofdprocedure, waarin nog niet vaststaat welke schade precies wordt gevorderd. Hierbij is nog op te merken dat [verweerster] blijkens haar akte na tussenarrest niet alleen schade vordert in verband met een te lage prijs waarvoor de aandelen verkocht zijn, maar ook de proceskosten die zij heeft moeten maken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (naar ik aanneem van de andere procedures die zij heeft gevoerd). [36] Voorts staat het haar uiteraard vrij nog meer schadeposten op te voeren in de schadestaatprocedure dan zij heeft genoemd in deze akte.
grondslagvan de aansprakelijkheid. Tjong Tjin Tai noemt in dit verband de noodzaak om in de schadestaatprocedure in te gaan op een nadere specificatie van de normschending in verband met vragen van causaliteit, in het bijzonder de vraag naar de hypothetische situatie indien géén normschending had plaatsgevonden. [37] De beoordeling in de onderhavige zaak, of per schadepost voldaan is aan het relativiteitsvereiste, kan als een ander voorbeeld hiervan worden gezien.
mogelijkheidvan schade op dit punt niet aannemelijk acht, zodat de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat toewijsbaar is. Dat geldt ook voor de door [verweerster] aangevoerde schade op het punt van de extra kosten van rechtskundige bijstand, zo overweegt het hof. In dit oordeel ligt besloten dat een nadere beoordeling van de causaliteitsvraag – waaronder dus begrepen de hiermee nauw verband houdende vragen van relativiteit – nader aan de orde dient te komen in de schadestaatprocedure en niet in de weg staat aan toewijzing van de gevorderde schadevergoeding op te maken bij staat.
onderdeel 4wordt geklaagd over rov. 2.5 en 2.6 van ’s hofs eindarrest, waarin het hof overweegt dat de gevraagde verwijzing naar de schadestaatprocedure toewijsbaar is.
de mogelijkheiddat schade is geleden aannemelijk is geworden. Daarmee ligt de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure laag. [39]
mogelijkheidvan schade op dit punt niet aannemelijk acht.”
tochzou hebben gebruikt voor een aandelenwaardering ten behoeve van aankoop van de aandelen, (b) niet vast staat dat de aandelen meer waard waren en (c) niet vast staat dat [betrokkene 2] de aandelen voor een hogere prijs had willen verwerven. Zoals bij onderdeel 3 is besproken, zal dit causaliteitsverweer in de schadestaatprocedure moeten worden behandeld, tezamen met het hiermee nauw verbonden relativiteitsverweer. Om deze reden bestaat er geen belang bij de klacht over de onduidelijkheid van de betreffende zin.