Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Inleidende beschouwingen
turba”). In zulke gevallen bestaat behoefte aan een bijzondere rechtsregel omdat het voor het slachtoffer dikwijls niet doenlijk is, te achterhalen welk groepslid degene is geweest die de schadetoebrengende handelingen heeft verricht of daaraan heeft bijgedragen: de rechtstreekse pleger kan onderduiken in de anonimiteit van de groep. De toelichting wijst erop dat, naast de geschreven norm (‘gij zult niet mishandelen’, ‘gij zult niet vernielen’ enz.), in het nieuwe BW is opgenomen dat een gedraging in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed, tot schadevergoeding verplicht. Krachtens deze algemene zorgvuldigheidsnorm kan het slachtoffer individuele groepsleden aansprakelijk houden voor een onrechtmatige daad die jegens hem door of vanuit de groep is begaan. De redenering daarbij is, dat de aangesproken personen in strijd hebben gehandeld met deze algemene zorgvuldigheidsnorm, door mee te doen aan gedragingen in groepsverband in verband met de kans dat uit die gedragingen de handeling (van een andere persoon) zou resulteren die de schade van het slachtoffer rechtstreeks heeft veroorzaakt. Volgens de Toelichting Meijers impliceert dit dat slechts aansprakelijk kan zijn: degene die wist, althans behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor schade zoals
in concretotoegebracht. Zo beschouwd, zal een deelnemer aan een relletje niet aansprakelijk zijn voor, bijvoorbeeld, de gevolgen van een dodelijk schot indien hij redelijkerwijs niet behoefde te begrijpen dat één der aanwezigen een schietwapen bij zich had en dit zou gaan gebruiken [18] .
Mittäter und Beteiligte) luidt:
Principles of European Tort Lawis een bepaling opgenomen over hoofdelijke aansprakelijkheid die iets dichter in de buurt komt [29] . Omdat ook die bepaling niet een bijzondere regel geeft die het causaliteitsprobleem overbrugt (nl. het probleem dat de ter zake van onrechtmatig handelen aangesproken persoon het verweer kan voeren dat hij niet degene is die de geleden schade heeft veroorzaakt), kan m.i. bij de genoemde buitenlandse normen bezwaarlijk worden gesproken van
groepsaansprakelijkheid.
de factowordt toegebracht, levert een onrechtmatige daad jegens de benadeelde op. Anders gezegd: voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW Pro zijn twéé onrechtmatige daden nodig: de schadetoebrengende gedraging zelf moet onrechtmatig zijn en het deelnemen aan de gedragingen in groepsverband moet in de gegeven omstandigheden onrechtmatig zijn, want in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt [32] .
in beginselonbegrensd: voorstelbaar is een vereniging waarvan talrijke personen deel uitmaken, die zich ophouden op plaatsen die geografisch ver uiteen liggen en die elkaar wellicht nog nooit hebben ontmoet. Hierbij kan worden gedacht aan een maffia-achtige organisatie of internationale drugstransporten, maar ook aan een
cyber-aanval vanaf duizenden computers op een hier gevestigde website; aspecten van internationaal privaatrecht en rechtsmacht laat ik ditmaal onbesproken.
voor toepassing van art. 6:166 BW Pro relevante groepmoet worden gezocht naar gedragingen waarvan de kans op het toebrengen van schade zodanig is, dat deze kans de deelnemers had behoren te weerhouden van hun deelname:
diegedragingen en de
daarbijbetrokken personen in groepsverband plaatsvonden resp. handelden. En die vraag moet zelfstandig worden beantwoord. De kring van de groep moet getrokken worden rond die gedragingen en daarvan uitgaande is de vraag wie tot die groep behoren. Dat is de relevante groep. Het kan slechts tot verwarring leiden indien een groepsbegrip wordt gehanteerd, abstract van de gedragingen waaraan deelneming naar luid van art. 6:166 BW Pro tot aansprakelijkheid kan leiden (…)”. [33]
objectiefen een
subjectiefcriterium. De bijdrage van de deelnemer kan bestaan in fysieke verrichtingen, maar een geestelijke bijdrage kan onder omstandigheden al voldoende zijn om aansprakelijkheid te vestigen [34] . Zo kan degene die zich actief bezighoudt met het uitdenken van de plannen voor bepaalde gedragingen aansprakelijk zijn als groepsdeelnemer, ook als hij niet deelneemt aan de feitelijke uitvoering of daarbij niet aanwezig is. Eveneens kunnen aansprakelijk zijn degenen die vooraf dan wel tijdens de gebeurtenis actief opruien of ophitsen [35] . Een bijdrage die enkel bestaat uit de fysieke aanwezigheid van het tot schadevergoeding aangesproken groepslid ter plaatse zal doorgaans niet voldoende zijn voor aansprakelijkheid, maar is niet bij voorbaat uitgesloten: men stelle zich gevallen voor waarin een vijftal stevig gebouwde groepsleden zich dreigend posteert rondom het slachtoffer. Niet ieders bijdrage aan het geheel behoeft even groot te zijn [36] . Evenmin is gelijksoortigheid van ieders bijdrage een vereiste [37] . Als voorbeelden van het bijdragen op afstand van de plaats des onheils noemt Van Dam: het achter de ‘frontlinies’ leiding geven aan groepsgeweld, dan wel betrokkenheid bij de voorbereiding of catering daarvan [38] ; elders noemde hij het voorbeeld van diefstal op grote schaal of het organiseren van een bankroof [39] .
gedurende de tijd van zijn deelneming aan het betreffende groepsoptredenis toegebracht [41] . In het geval dat schade eerst na (spontane) beëindiging van de deelneming is toegebracht kan sprake zijn van een zekere nawerking, zoals ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis:
subjectieveverbondenheid dient erin te bestaan dat de gedragingen van de een plaatsvinden in een bewuste samenhang met de gedragingen van de ander. Dit vergt niet dat de deelnemers hun gedragingen bewust op elkaar afstemmen en nog minder een duidelijke samenwerking, waarbij ieder zijn gedragingen op die van de ander afstemt teneinde samen een bepaald resultaat te bewerkstelligen. Voldoende is dat de deelnemers bewust hun gedragingen in gemeenschap brengen met anderen: dat kan ook spontaan gebeuren. Van Dam spreekt in dit verband van ‘een gemeenschap van gemoederen’ [43] . Voor bewuste samenhang is op zijn minst nodig dat blijkt van bewustzijn bij de individuele deelnemers dat anderen naast hen, met hetzelfde bewustzijn van gemeenschappelijk optreden, betrokken zijn bij de gedragingen waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden. Handelen in bewuste samenhang veronderstelt niet dat de ene deelnemer precies op de hoogte is van wat de anderen doen. Voldoende is dat de deelnemer zich globaal ervan bewust is dat hij tezamen met anderen betrokken is bij gedragingen waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade hem had behoren te weerhouden. Dat meer personen hebben meegedaan dan waarvan de deelnemer zich (aanvankelijk) bewust was, staat aan zijn aansprakelijkheid op grond van dit artikellid niet in de weg [44] . Niet nodig is dat de deelnemers elkaar persoonlijk kennen [45] .
3.Bespreking van het cassatiemiddel
in turba(d.w.z.: tot onrechtmatige daden gepleegd tijdens wanorde, gewoel, gedrang of verwarring van een menigte mensen). Volgens de klacht heeft het hof ten onrechte niet onderzocht of de kans op het toebrengen van schade de gedaagden had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, althans heeft het hof niet gemotiveerd waarom dat onderzoek achterwege is gelaten. De toelichting wijst op de volgende, in hoger beroep door eiseressen aangevoerde stellingen:
naar tijd en plaats een eenheid vormen, is het hof volgens het middelonderdeel uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
in turbazijn begaan, lijkt mij juist. De klacht mist feitelijke grondslag waar eiseressen ervan uitgaan dat het hof die beperking heeft aangenomen.
ander, door leden van deze groep begaan delict. Het bestreden oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Met de in het geding gebrachte strafrechtelijke bewezenverklaring kunnen eiseressen weliswaar aantonen dat de betrokkene heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven als de onderhavige tot oogmerk had [50] , maar daarmee staat nog niet de (dubbele) onrechtmatige daad vast die voor aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:166 BW Pro nodig is, noch de schade.
andereleden van de groep (
in casu: de criminele organisatie) heeft gestimuleerd tot het plegen van delict B [51] . De klacht valt gedeeltelijk samen met de vraag of voor toepassing van dit artikellid nodig is dat komt vast te staan dat de gezamenlijkheid van het handelen de kans op schade verhoogt (zie 2.9 hiervoor). In de redenering van de wetgever is bepalend of de tot schadevergoeding aangesproken persoon wist althans behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor schade zoals in concreto toegebracht.
deelnemerin de zin van art. 6:166 lid 1 BW Pro. Volgens de klacht is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de volgende omstandigheden: (i) dat het hof in rov. 4.1.1, onder f, heeft vastgesteld dat gedaagde 6 bij onherroepelijk, op tegenspraak gewezen strafvonnis is veroordeeld voor schuldheling van een sleutelset; (ii) dat eiseressen hadden gesteld dat deze sleutelset behoorde tot de buit van de diefstal op 7 en/of 8 januari 2006 te Tegelen; (iii) dat het hof in rov. 4.9.1 heeft vastgesteld dat [verweerder 2], [verweerder 5], [verweerder 4] en [verweerster 6] ter zake van deze diefstal (onherroepelijk) strafrechtelijk zijn veroordeeld [52] .
als zodanigheeft begrepen, is feitelijk van aard en in cassatie niet bestreden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van de memorie van antwoord en hetgeen nadien nog in de appelprocedure is gesteld. In het oordeel van het hof ligt onmiskenbaar besloten dat gedaagden/geïntimeerden de litigieuze eisvermeerdering ook niet hadden behoren te onderkennen. Dat oordeel acht ik niet rechtens onjuist noch onbegrijpelijk. Onderdeel 4 faalt.