Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding bij de rechtbank (zaak-/rolnummer C/02/346134 / HA ZA 18-398)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties 1 tot en met 18;
- de memorie van antwoord met producties 33 tot en met 45;
- de akte van [appellanten] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerden]
3.De beoordeling
zichtbaar, een graad of 15 en is een atrofie van de onderarmsmusculatuur aanwezig. De handmusculatuur is goed. Flexie extensie in de elleboog (…) evenals pro- en supinatie en een graad of 5 beperkt. De dorsoflexie in de pols is 10 graden beperkt. Controle foto’s toonde een doorgebouwde fractuur met een standsafwijking van 20 graden waarbij geen sinus those is opgetreden. Van de long heeft hij nagenoeg geen problemen meer.
“voor jullie nooit”, of woorden van die strekking, stapte uit en ging achter zijn wagen staan. [geïntimeerde sub 1] reed langzaam door. Omzichtig manoeuvrerend, omdat zijn voertuig om kon vallen als niet voldoende afstand werd gehouden van de sloot en dan kon wegzakken, schampte [geïntimeerde sub 1] per ongeluk de achterkant van de veewagen van [appellant sub 2] . [geïntimeerde sub 1] stopte om te kijken, maar zag geen schade. Op dat moment stapte [appellant sub 2] , in woede ontstoken, op de treeplank van de tractor en sloeg opeens de bril van het gezicht van [geïntimeerde sub 1] af, en gooide deze in het riet. Korte tijd later vond een tweede incident plaats. Dat vond plaats tussen de voertuigen van [appellanten] en [geïntimeerde sub 2] . [appellant sub 2] vloog [geïntimeerde sub 2] aan terwijl [geïntimeerde sub 2] in de cabine van zijn stilstaande voertuig zat, met zijn zoontje erbij. Bij [geïntimeerde sub 2] sloegen toen de stoppen door, doordat al jarenlang sprake was van treiterijen en hij op dat moment weer werd belemmerd in zijn werkzaamheden. Hij sloeg [appellant sub 2] naar beneden van de treeplank af en er ontstond een gevecht tussen beiden tot [appellant sub 1] ertussen sprong. [geïntimeerde sub 2] vocht ter verdediging, vooral met de bedoeling om zijn zoontje veilig te houden. [geïntimeerde sub 1] kwam inmiddels aangereden en heeft toen tegen [appellant sub 2] gezegd:
“nu moet je mijn bril nog maar eens van mijn kop slaan”of woorden van gelijke strekking. [geïntimeerde sub 1] heeft daarbij [appellant sub 2] slechts een duw gegeven en heeft [appellant sub 1] niet aangeraakt. De bij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geconstateerde verwondingen zijn opgelopen door contact met de hakselaar en niet door een mes. [geïntimeerden] hebben verder betwist dat, anders dan de rechtbank en het gerechtshof in de strafprocedure hebben aangenomen, [geïntimeerde sub 2] [appellanten] met een koevoet heeft geslagen.
“Kom hier dat ik oe kapot sla”en
“Jullie gaan d’r aan”. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben vervolgens ieder van [appellanten] meerdere malen geslagen, gestompt, geschopt en geslagen met de ijzeren staaf. [appellanten] waren weerloos. Zij hebben geprobeerd aan het geweld te ontkomen, maar zelfs op hun vlucht werden zij nog geschopt en geslagen. Toen er auto’s naderden, zijn [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] er vandoor gegaan, aldus nog steeds [appellanten] .
ging al schreeuwend terug. (…).
“Pak ‘m nog ’s af”,
“Pak m’n bril ’s af”en
“vat m’n brilleke nog ‘es”. Naar eigen zeggen van [geïntimeerden] (akte [geïntimeerden] van 20 oktober 2021, pag. 10) werd dat door [geïntimeerde sub 1] geroepen, hetgeen bevestigd is door [geïntimeerde sub 2] ter gelegenheid van zijn getuigenverhoor op 3 december 2020 (proces-verbaal blz. 10 onderaan). Voorts wijst het hof op de hiervoor ook al besproken geluidsopname van [moeder A] . Deze meldt daarin onder andere dat eerder die dag een incident heeft plaatsgevonden tussen ‘ [een van de appellanten] ’ en een medewerker van het loonbedrijf van [familie A] waarbij de medewerker, zo zegt zij te hebben begrepen, is geslagen door ‘ [een van de appellanten] ’. Ook meldt [moeder A] daarin dat haar man en haar zoon onderweg zijn naar de plek van het eerste incident. Uit de verdere context van de 112-noodoproep begrijpt het hof, zakelijk samengevat, dat moeder [geïntimeerde sub 2] escalatie vreesde. Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van de 112-noodoproepen, in onderlinge samenhang beschouwd, dat het tweede incident is uitgegaan van personen uit de kring van en rond de familie [geïntimeerde sub 2] met de intentie om verhaal te halen voor het eerste incident.
de factowordt toegebracht, levert een onrechtmatige daad jegens de benadeelde op. Voor groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW Pro zijn dus twee onrechtmatige daden nodig: de gedraging die schade toebrengt moet zelf onrechtmatig zijn en het deelnemen aan de gedragingen in groepsverband moet in de gegeven omstandigheden onrechtmatig zijn, want in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt (vergelijk conclusie A-G. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2015:713, nr. 2.9). Het is aan degene die zich voor zijn vordering op groepsaansprakelijkheid beroept om zodanige feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting: te bewijzen, dat wordt voldaan aan de vereisten die gelden voor groepsaansprakelijkheid van de aangesprokene(n). Wordt daaraan voldaan, dan leidt dat hoofdelijke aansprakelijkheid van de aangesprokene(n). Terzijde: dat zegt niets over de
onderlingedraagplicht van de deelnemers.