Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.TVM U.A. h.o.d.n. TVM VERZEKERINGEN,gevestigd te [vestigingsplaats 1],
Amlin Corporate Insurance N.V., voorheen h.o.d.n.
FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2],
[Rental B.V.] Rental B.V.gevestigd te [vestigingsplaats 3],
[Transport B.V.] Transport B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 4],
Tele [vestigingsnaam] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 5],
TVM België N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 6], België,
[X.] Internationaal Transport B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 7],
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats 1],
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats 2],
[geïntimeerde 3],wonende te [woonplaats 3],
[geïntimeerde 4],wonende te [woonplaats 4],
[geïntimeerde 5],wonende te [woonplaats 4],
[geïntimeerde 6],wonende te [woonplaats 1],
[geïntimeerde 7],wonende te [woonplaats 4],
[geïntimeerde 8],wonende te [woonplaats 4],
mr. H.P. Ruysink (geïntimeerde 2)
mr. J.J.H.S. Thomassen (geïntimeerden 4, 5, 7 en 8)
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 120681/ HA ZA 07-579)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
(1) een diefstal op of omstreeks 13 maart 2004 op een haventerrein te Antwerpen (ontvreemd werd een trailercombinatie waarin een lading van vorklifts en onderdelen van het merk Daewoo);
(2) diefstal op 3 april 2005 van een trekker en een oplegger met lading (Mexx kleding) op het bedrijfsterrein van [Rental B.V.] Rental B.V. in [plaats 1];
(3) diefstal op 17 en/of 18 december 2005 van een trekker en een trailer met electronica op het bedrijfsterrein van [Transport B.V.] Transport B.V. in [vestigingsplaats 4];
(4) diefstal op 7 en/of 8 januari 2006 van een lading van diverse gereedschappen op het bedrijfsterrein van Tele [vestigingsnaam] B.V. te [vestigingsplaats 5];
(5) diefstal op 20 en/of 21 januari 2006 van een trekker op het bedrijfsterrein van Flower Circle B.V. in [plaats 2];
(6) diefstal op 20 en/of 21 januari 2006 van een trailer met reparatieonderdelen op het bedrijfsterrein van [Y.] Transport B.V. in [plaats 2];
(7) diefstal op 25 en/of 26 februari 2006 van een trekker/oplegger met lading op het bedrijfsterrein van [X.] Internationaal Transport B.V. in [vestigingsplaats 7];
“Uit de bewezenverklaring blijkt onder meer dat verdachte betrokken is geweest bij een groot aantal diefstallen van - kort gezegd - vrachtauto’s met lading, veelal onder verzwarende omstandigheden (braak). deze diefstallen werden tezamen en in vereniging gepleegd met name met [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 4]. Naast verdachte, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] dienen ook [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 3] als deelnemers aan de organisatie te worden beschouwd . (...) Het hof leidt hieruit voorts af dat verdachte dient te worden aangemerkt als leider van de organisatie.”
TVM c.s. hebben voorts ten aanzien van de geïntimeerden 7 en 8 ([geïntimeerden 7 & 8]) het hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot de beslissing inzake de proceskosten van het geding tussen hen en deze geïntimeerden in het vonnis van 29 september 2010, zodat ook de afwijzing van de hoofdvorderingen van TVM c.s. tegen de [geïntimeerden 7 & 8] in hoger beroep verder niet ter discussie staat.
op grond van het bepaalde in art. 6:197, tweede lid BW, (...) rechten uit onder meer art. 6:166 BW Pro niet vatbaar (zijn) voor subrogatie’(r.o. 3.2.2 tussenvs). Volgens TVM c.s. verliest de rechtbank bij dat oordeel uit het oog dat in art. 6: 197 lid 2 BW onder a een uitzondering op de toepasselijkheid van voormelde bepaling wordt gemaakt voor gevallen waarin de uitkering van de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft voor een schade waarvoor op grond van de genoemde artikelen een ander mede aansprakelijk is. Van die situatie is volgens TVM c.s. sprake bij de vergoeding van de schades van de ladingbelanghebbenden terzake de delicten die in r.o. 4.1.1 zijn vermeld onder b (4), (5) en (7), aangezien voor de schade ten gevolge van het verlies van de goederen zowel de vervoerder (contractueel) als de plegers van de onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens de ladingbelanghebbende.
‘behoudens voor zover de uitkering door de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een ander krachtens deze artikelen mede aansprakelijk was’is beoogd een uitzondering te maken voor de subrogatie van de schadeverzekeraar in de rechten die een verzekerde heeft jegens derden met wie hij op grond van art. 6:102 BW Pro hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade (toel. art. 6.197 Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1403 e.v.). De schadeverzekeraar kan, met andere woorden, voor de uitgekeerde schadevergoeding regres nemen op de op grond van onrechtmatige daad voor de schade aansprakelijke daders.
“Dat is iets van [geïntimeerde 1]”of “
Dat is van de vrachtwagen gevallen.” Voor [geïntimeerde 2] geldt eveneens dat een hoeveelheid van de Mexx-kleding in zijn woning is aangetroffen. Uit de verklaring van de vriendin van [geïntimeerde 2], dat zij een gedeelte van die kleding had gekregen maar niet wilde vertellen van wie, concludeert het hof dat het - ook voor de vriendin van [geïntimeerde 2] - duidelijk was dat het om gestolen zaken ging. Bovendien vond de diefstal plaats in een periode waarvoor ten aanzien van alle drie voormelde personen de deelname aan een criminele organisatie bewezen is verklaard. Ook om die reden mag bekendheid van deze geïntimeerden met de herkomst van de zaken uit ladingdiefstal worden aangenomen. [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 2] hebben tegenover dit alles geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Het aan eigen risico gevorderde bedrag betreft geen schade ten gevolge van het verlies van de lading en is daarom niet toewijsbaar. De wettelijke rente zal worden toegewezen als subsidiair gevorderd (zie r.o. 4.6.4. slot).
Grief 7 kan daarom geen doel treffen.
Grief 9 slaagt derhalve voor een deel van de vorderingen van appellanten sub 2 en sub 5.