Conclusie
2. Bespreking van het cassatiemiddel
altijd (ook) een belangenafwegingdient plaats te vinden, ook wanneer sprake is van een afwijzend vonnis in de bodemprocedure [6] en dat opheffing of niet van beslagen ook alleen op die belangenafweging kan hangen. Dat kleurt deze zaak in belangrijke mate. Tenzij Uw Raad die lijn niet zou willen voortzetten [7] , stranden daar in feite alle klachten op, zoals we hierna zullen zien. Als er al voldoende belang in cassatie resteert, daar begin ik mee.
in dit geval?
niet te innen. Er is in onze zaak niet onvoorwaardelijk toegezegd de kort geding proceskostenveroordeling niet te innen, omdat daaraan de clausulering is verbonden dat dat gestand wordt gedaan
hangende de bodemprocedureen die is nog niet afgerond. Zou dat niet ook kunnen betekenen dat dit proceskostenstaartje uit het kort geding nog in die bodemzaak zou kunnen worden meegenomen? Dat had gekund, maar uit het bodemvonnis in eerste aanleg [10] weten we dat [eiser] ter zake geen eis in reconventie heeft ingesteld. Dat kan niet alsnog voor het eerst in appel (art. 353 lid 1 Rv Pro). Zodoende resteert ook in dit opheffingskortgeding waarin al is opgeheven voldoende (kosten)belang in cassatie. Daarmee kom ik aan de klachten toe.
Onderdeel 1.1komt eerst met een rechtsklacht op tegen de kwestie van de niet in het beslagrekest genoemde grond paulianeus handelen. Het stelsel van art. 705 Rv Pro wordt ondergraven als wordt toegestaan dat in een opheffingskortgeding door de rechter in zijn beslissing wordt verwezen naar een vordering die niet is opgenomen in het beslagrekest en ook nog niet bekend was, omdat die pas geruime tijd daarna bij wijze van vermeerdering van eis in de bodemprocedure is aangevoerd. Voor die bij wege van eisvermeerdering meegenomen vordering is immers evident geen beslag gelegd. Dat klemt te meer indien de opheffing alleen wordt afgewezen op die nader aangedragen grondslag, zoals hier. Daarbij is door het hof uit het oog verloren dat bij opheffing wegens summierlijk gebleken ondeugdelijkheid in beginsel aansprakelijkheid is gegeven van de beslaglegger uit onrechtmatige daad en [eiser] op deze manier ten onrechte de mogelijkheid wordt ontnomen Nidera c.s. uit onrechtmatige daad aan te spreken, zo vervolgt onderdeel 1.1. Volgens het onderdeel is niet alleen bepalend of [eiser] hierdoor in zijn verdediging is geschaad; het hof had gewoon niet op die andere grondslag mogen letten, althans diende het hof in dat verband ook acht te slaan op andere dan door het hof genoemde belangen, in het bijzonder die van de beslagene.
onderdeel 1.2richt het middel zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen de passage in rov. 2.7 dat [eiser] niet is bemoeilijkt in zijn verdediging tegen de Paulianagrond die pas een dag voor de zitting is aangevoerd. Dat valt volgens dit onderdeel niet in te zien, nu het een andere feitelijke grondslag betrof in een ingewikkeld geschil met een internationale dimensie. Het is lastig om binnen een dag de summierlijke ondeugdelijkheid van die vordering te onderbouwen en de uitkomst van de bodemzaak leert dat als [eiser] wel voldoende tijd krijgt voor verweer daartegen, die vordering vervolgens wordt afgewezen. Daaruit volgt in beginsel al dat [eiser] in zijn verdediging is bemoeilijkt.
in het opheffingskortgedingdaags voor de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. Dat kan in kort geding (net) op tijd zijn [17] . Kennelijk is er in die fase door [eiser] ook geen punt van gemaakt dat dit zijn verdediging bemoeilijkte; daarover is niets terug te vinden in de stukken van de eerste aanleg. Het hof geeft in rov. 2.7 aan dat de enkele confrontatie daags tevoren in kort geding niet zonder meer betekent dat [eiser] daardoor in zijn verdediging is geschaad, wat ook verder niet is gebleken volgens het hof. Dat is een aan het hof voorbehouden waardering en die is niet onbegrijpelijk. [eiser] is er klaarblijkelijk gewoon op ingegaan en heeft ter zitting erkend dat dit is gedaan om verhaal van schuldeisers op de twee resterende schepen van Sirius onmogelijk te maken. Dat had niet gehoeven, [eiser] had er zich ook op kunnen beroepen dat hij te weinig tijd had om zich hiertegen fatsoenlijk te verweren; hij werd bijgestaan door een advocaat en de feiten die de Pauliana ondersteunen zijn ter zitting door deze erkend (rov. 4.5 vonnis voorzieningenrechter). Dat is vanzelfsprekend van nogal veel gewicht bij de weging van de voor- en nadelen van een opheffing van een beslag in een opheffingskortgeding in een casus zoals die zich hier voordoet. De voorzieningenrechter werd geconfronteerd met serieuze, onderbouwde aantijgingen van aansprakelijkheid van [eiser] die beweerdelijk een niet in zeewaardige staat verkerend schip met een kostbare lading rijst op pad had doen sturen, waarna bij het in problemen geraakte schip ook nog eens onvoldoende medewerking en bijstand zou zijn verleend van de kant van de schipeigenaar, wat beweerdelijk [eiser] persoonlijk aan te rekenen zou zijn, waardoor ladingschade was opgetreden. Dan komt als klap op de vuurpijl nog dat [eiser] als bestuurder van Sirius in de weer is gegaan met bemoeilijken van verhaal door twee andere schepen voor ieder $ 1,- te verkopen aan een derde die bestuurd wordt door een medebestuurder van Sirius. Dat dat laatste gebeurt om verhaal te bemoeilijken, wordt ten overstaan van de voorzieningenrechter nog erkend ook. Het is begrijpelijk dat de rechter dan op dat laatste aanslaat. Hij hoeft zijn belangenafweging maar summier te motiveren. Het was misschien zuiverder geweest als dat (nog) duidelijker en preciezer was gebeurd in de sleutel van de volgens de heersende leer altijd noodzakelijke belangenafweging en niet als een soort sequeel van de summierlijke ondeugdelijkheidstoets, maar ik acht dat duidelijk genoeg naar voren komen uit rov. 2.7-2.11 [18] in het geheel beschouwd, dat een integrale belangenafweging is gemaakt.
ex parte. Dat concentreert zich op het globaal bezien of, uitgaand van de informatie die gegeven wordt in het beslagrekest, sprake is van een vordering met handen en voeten. De nadruk ligt dan op de informatie uit dat rekest. Maar bij een opheffingskortgeding is dat
ex partekarakter van de baan, het wordt dan een zaak op tegenspraak. De rechter gaat dan niet meer af op de eenzijdige informatie uit het rekest, maar betrekt in zijn weging van voor- en nadelen van het laten liggen of opheffen van het beslag alle omstandigheden van het geval die over en weer worden aangevoerd, om maatwerk te kunnen leveren dat aan die omstandigheden recht doet. Nog weer anders gezegd: bij die toets is niet (alleen) de grond summierlijk blijken van ondeugdelijkheid van de vordering aan de orde, omdat (alleen) een integrale belangenafweging er al toe kan leiden dat het beslag moet blijven liggen.
nietin zijn verdediging is geschaad. En zie maar wat er gebeurt als [eiser] wel voldoende tijd krijgt voor verweer, dan wordt de vordering (in de bodemprocedure) meteen afgewezen. Dat lijkt mij hier onvoldoende voor een motiveringsgebrek. Het betrof geen omvangrijk pak nieuwe stukken of een ingewikkeld technisch-juridisch betoog naar vreemd recht, maar alleen de stelling dat twee schepen van Sirius door toedoen van bestuurder [eiser] voor ieder 1 $ aan een derde (bestuurd door een medebestuurder van Sirius ([betrokkene])) waren verkocht, onverplicht en kort nadat zich de ladingschade had voorgedaan, zodat die schepen aan verhaal door schuldeisers van Sirius waren onttrokken. Daar had [eiser] niet veel tijd voor nodig, hij heeft dit daags erna ter zitting gewoon erkend te hebben gedaan met het doel verhaal te frustreren. De motiveringsklacht faalt.
Onderdelen 2.1 en 2.2concentreren zich uitsluitend op de wettelijke opheffingsgrondslagen summierlijk blijkende ondeugdelijkheid en onnodigheid. De
onderdelen 2.3 en 2.4richten zich langs twee wegen tegen het oordeel van het hof in rov. 2.11 dat niet gezegd kan worden dat [eiser] in eerste aanleg ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. Voor de onderdelen 2.2-2.4 is verder van belang dat de door het arrest Spaanse villa mogelijk gewekte onzekerheid over de aansprakelijkheidsnorm in dit soort gevallen is weggenomen in het latere arrest Hezemans/vd Meer (daterend van ná de cassatiedagvaarding en de s.t.), zoals we hierna zullen zien.
Onderdeel 2.1voert aan dat rov. 2.10 en 2.11 onjuist zijn, omdat daarmee wordt miskend dat Nidera c.s. zelf (zonder dat [eiser] vervangende zekerheid had gesteld) de beslagen hebben opgeheven en daarmee hebben erkend dat de vordering summierlijk ondeugdelijk, althans onnodig was. Meer subsidiair klaagt onderdeel 2.1 dat dit geldt in het geval die beslagen worden opgeheven naar aanleiding van het bodemvonnis. Dat zijn de rechtsklachten van onderdeel 2.1. Althans, zo vervolgt de motiveringsklacht van dit onderdeel, is niet voldoende gemotiveerd waarom ondanks opheffing van de beslagen niet summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid/onnodigheid daarvan, zodat het opheffingsvonnis in eerste aanleg niet in stand had kunnen blijven, waarmee [eiser] ten onrechte in de kosten is veroordeeld.
wederzijdse belangen van partijen in aanmerking genomen. Per saldo is aldus, omdat de Paulianavordering mogelijk hout snijdt, het belang bij het laten liggen van de beslagen (op huizen, waarvan niet blijkt dat die overgedragen dienen te worden en onder de bank, waarvan is vastgesteld dat dat [eisers] kredietruimte niet aantast) doorslaggevend. Juist is daarbij ook dat naar huidig recht het op de weg van [eiser] als beslagene ligt materiaal aan te dragen dat zijn belang bij opheffing ondersteunt (rov. 2.8). Het hof heeft dat in weging van de wederzijdse belangen – en toegegeven: summier gemotiveerd, maar dat mag in een opheffingskortgeding – niet voldoende geoordeeld, een feitelijke beslissing. Hierop strandt onderdeel 2.1.
Onderdeel 2.2bevat de rechtsklacht dat is miskend dat het vonnis in de bodemprocedure dient te worden meegewogen en de motiveringsklacht dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe dat is gebeurd. In 2.22 gaf ik al aan dat ik denk dat dat niet klopt. Het onderdeel stelt te hoge eisen aan de hier in kort geding te verlangen motivering, die summier mag zijn in een opheffingskortgeding. Het onderdeel gaat volgens mij bij de motiveringsklacht uit van een verkeerde lezing van de aangevallen rov. 2.8, 2.10 en 2.11 waar het stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt dat het hof, anders dan de bodemrechter en de voorzieningenrechter in eerste aanleg, meent dat geen sprake is van mogelijk aansprakelijkheidscheppend handelen van [eiser] als bestuurder van Sirius, maar van een hem persoonlijk treffend verwijt. Dat is een tegenstelling die het hof naar mijn inzicht in deze overwegingen niet maakt, nu de Nederlandsrechtelijke norm voor externe aansprakelijkheid van een bestuurder jegens crediteuren (ook) is dat een bestuurder een ((voldoende) ernstig) persoonlijk verwijt moet kunnen worden gemaakt [23] . Zie bijvoorbeeld ook rov. 3.3, 4.4 en 4.8 van de uitspraak in eerste aanleg in deze zaak, waarin de
notie van persoonlijk verwijtaan [eiser]
helemaal in de sleutel staat van dergelijk handelen als bestuurder(onderstrepingen toegevoegd, A-G):
een persoonlijk verwijtkan worden gemaakt omdat hij
als mede-bestuurder van Siriusde ‘Pine Trader’ operationeel heeft gehouden en op de markt heeft aangeboden terwijl het schip in een bijzonder slechte technische staat van onderhoud verkeerde. Daarnaast heeft [eiser] nagelaten om de Zuid-Afrikaanse kustwacht te helpen bij het redden van de ‘Pine Trader’ en de lading daarvan.
was als bestuurder van Siriusverantwoordelijk voor de goede staat van het schip. (…)”
[eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Sirius, de schepen ‘Lundenes’ en ‘Oassis II’ verkocht voor een prijs van 1 USD per stuk aan Tauras, het bedrijf waarvan [betrokkene], mede-bestuurder van Sirius, ook bestuurder was. Gedaagden betogen derhalve dat [eiser] door deze verkoop vermogensbestanddelen van Sirius aan de mogelijkheid van verhaal heeft onttrokken en daarmee paulianeus heeft gehandeld.”
Uit het vorenstaande volgtdat voorshands niet valt uit te sluiten dat de bodemrechter zal oordelen
dat [eiser] persoonlijk verwijtbaar en dus onrechtmatigheeft gehandeld.
Onderdeel 2.3varieert in wezen op het voorgaande met allereerst de rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat de voorzieningenrechter uitging van [eisers] handelen als bestuurder van Sirius. Ik zie niet in waarom het hof dit miskend zou hebben, zodat dit ook feitelijke grondslag ontbeert. Dit is in wezen verwant aan de hiervoor verworpen klachten in onderdeel 2.2. Als hiervoor geschetst, begreep de voorzieningenrechter ‘persoonlijk verwijt’ volgens mij als: ‘voldoende ernstig persoonlijk verwijt’ in de zin van de Beklamelnorm van externe bestuursaansprakelijkheid. Persoonlijk verwijt treffen
leekonder de vigeur van het Spaanse villa-arrest volgens sommigen te kunnen zien op zowel aansprakelijkheid van handelen als bestuurder (waarvoor de hogere drempel van voldoende ernstig persoonlijk verwijt geldt) en persoonlijke aansprakelijkheid los van het handelen van [eiser] als bestuurder [24] . Inmiddels is uit het Hezemans/vd Meer-arrest [25] duidelijk geworden dat indien sprake is van handelen in het kader van taakvervulling als bestuurder van een vennootschap voor de vraag of de bestuurder persoonlijk extern aansprakelijk is, steeds de verzwaarde maatstaf van ernstig persoonlijk verwijt geldt, oftewel de Beklamelnorm. Het onderdeel voert aan dat wanneer het hof in rov. 2.10 oordeelt dat [eisers] handelen als bestuurder mede gelet op het bodemvonnis geen voldoende grond is voor handhaving van het beslag, dat dan fout, althans onvoldoende gemotiveerd is dat in rov. 2.11 is beslist dat niet gezegd kan worden dat [eiser] in eerste aanleg ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. Immers wanneer, volgens het hof, alleen een van het handelen van [eiser] als bestuurder losstaande schending van een op [eiser] persoonlijk rustende verplichting een toereikende grond is voor de handhaving van het beslag, dan heeft de voorzieningenrechter een onjuiste grondslag aan zijn oordeel gegeven, zo luidt de klacht. Hierover kunnen we na het voorgaande kort zijn: het hof heeft een en ander niet miskend of onvoldoende gemotiveerd (en maakt het hier bedoelde onderscheid helemaal niet), maar heeft een integrale belangenafweging gemaakt waarom kon worden geoordeeld dat de beslagen niet opgeheven behoefden te worden, althans waarom de voorzieningenrechter dat kon doen, zodat niet gezegd kan worden dat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg niet deugde. Het onderdeel verliest dat uit het oog. Anders gezegd: het hof heeft in rov. 2.10 en 2.11
niettot uitgangspunt genomen dat het beslag alleen kon worden gehandhaafd, wanneer de vorderingen van Nidera c.s. niet gebaseerd waren op aansprakelijkheidscheppend handelen van [eiser] als bestuurder, maar als een daarvan losstaande schending van zijn persoonlijke verplichting. Het hof signaleert wel dat Nidera c.s. bij antwoord in appel opeens hebben gesteld dat hun vorderingen zien op schending van op [eiser] persoonlijk rustende verplichtingen (rov. 2.9) en dat lijkt inderdaad te wijzen op MvA 3.20 waarin Nidera c.s. dit afzetten tegen aansprakelijkheidscheppend handelen in hoedanigheid van bestuurder. Vervolgens heeft het hof in rov. 2.10 inderdaad geoordeeld dat niet al op voorhand kan worden aangenomen dat een vordering die gebaseerd is op schending van een op [eiser] persoonlijk rustende verplichting geen steun vindt in het toepasselijk recht, daarbij in het midden latend welk recht dat is. Daar is volgens mij echter niet uit af te leiden dat het hof is meegegaan in dit door Nidera c.s. aangebrachte onderscheid en de beslagen alleen handhaafbaar acht indien sprake was van onrechtmatig handelen van [eiser] buiten verband van zijn optreden als bestuurder van Sirius. In zowel de bodemzaak als in eerste aanleg van het opheffingskortgeding kwalificeerden de eerste aanlegrechters [eisers] handelen als een vorm van mogelijke externe bestuursaansprakelijkheid, dus voor zijn handelen in hoedanigheid van bestuurder. Volgens mij heeft het hof ofwel gewoon marginaal getoetst of op voorhand al kon worden gezegd dat externe bestuurdersaansprakelijkheidsvordering niet zou houden, ofwel in het midden gelaten of de toepasselijke drempel hier verzwaard is of niet – meest waarschijnlijk is het eerste, gelet op de aanpak van de bodemrechter en de voorzieningenrechter in eerste aanleg. Ik geef andermaal toe dat dat strakker gemotiveerd had kunnen worden, maar het mag in een opheffingskortgeding nu eenmaal summier en ik vindt dit in de totale beoordeling van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk.
Onderdeel2.4 voert aan dat als het hof in rov. 2.10 tot uitgangspunt heeft genomen dat (ook) Nederlands recht van toepassing is of kan zijn, dat dan is miskend dat naar Nederlands recht in geval van optreden van een bestuurder namens de vennootschap, zoals hier bij de verkoop van twee schepen, in beginsel al op voorhand moet worden aangenomen dat een vordering gebaseerd op persoonlijke onrechtmatige daad los van het optreden als bestuurder niet kan naar Nederlands recht; althans is niet gemotiveerd waarom dat niet op voorhand kan worden aangenomen, gelet op de vaststelling in rov. 2.3 dat [eiser] als bestuurder van Sirius heeft verkocht.
Onderdeel 3is alleen voortbouwend en stelt dat bij gegrondbevinding van onderdelen 1 en 2 ook rov. 2.12, de slotoverweging, niet in stand kan blijven. Daarvan is geen sprake, nu onderdelen 1 en 2 niet opgaan.