In deze zaak oordeelde het Gerechtshof Den Haag dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel had verkregen uit het voorhanden hebben van valse huurcontracten, die betrekking hadden op panden waarin hennepkwekerijen waren aangetroffen. De betrokkene was veroordeeld voor het opzettelijk voorhanden hebben van deze valse contracten, maar vrijgesproken van medeplegen of medeplichtigheid aan hennepteelt.
Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €63.521, waarvan na aftrek wegens overschrijding van de redelijke termijn €58.521 werd opgelegd. De betrokkene stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de huuropbrengsten uit de valse contracten als wederrechtelijk verkregen voordeel konden worden aangemerkt, omdat sprake was van daadwerkelijke huurverhoudingen en de contracten slechts op onderdelen vals waren.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat het enkele voorhanden hebben van de valse huurcontracten niet zonder meer leidt tot het vaststellen van de huuropbrengsten als wederrechtelijk verkregen voordeel. De bewezenverklaring betrof immers het voorhanden hebben van de contracten en niet het gebruik ervan. Ook was onvoldoende onderbouwd waarom energiekosten niet in mindering konden worden gebracht. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.