Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof een beroep op noodweerexces ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen. Het
tweede middelklaagt over de verwerping van een beroep op (putatief) noodweer.
eerste middelis gericht tegen de overweging van het hof dat het beroep op noodweerexces wordt verworpen, “nu geen sprake was van een noodweersituatie waarin verdediging door de verdachte noodzakelijk was”. De steller van het middel wijst erop dat bij een beroep op noodweerexces de rechter dient te onderzoeken of van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging sprake is. Dat is volgens de steller van het middel
niet alleenhet geval als de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een noodweersituatie waarin de verdachte ten gevolge van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is,
maar ookals op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, maar deze gedraging niettemin toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. [2] Met name dit laatste zou het hof in de genoemde overweging hebben miskend.
tweede middelwordt aangevoerd dat het hof het beroep op (putatief) noodweer ten onrechte, althans onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft verworpen. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de overwegingen die het hof hieraan heeft gewijd innerlijk tegenstrijdig lijken, omdat het hof enerzijds vaststelt dat verdachte op het moment dat hij begon te schieten noch van [slachtoffer] noch van de rest van de groep iets te vrezen had, terwijl het hof daarnaast ook vaststelt dat verdachte nadat hij in de lucht had geschoten, om de voor de coffeeshop geparkeerde Peugeot is heengelopen en daarbij op de hielen werd gevolgd door een persoon.
verbaledreiging die van de groep, met inbegrip van [slachtoffer] zou zijn uitgegaan, nu de videobeelden die het hof heeft bekeken en waarop het hof deze bevinding kennelijk baseert, geen geluidsopnamen bevatten.