Conclusie
Vereniging Consument & Geldzaken,
Aegon Bank N.V. (mede h.o.d.n. Spaarbeleg),
13naar 4 maart 20
14) en 7 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1229. Oordelend dat (kort gezegd) de onderhavige effectenleaseovereenkomsten en de gedragingen van Aegon daaromtrent dezelfde betreffen als welke aan de orde waren in de collectieve actie die de Stichting Gedupeerden Spaarbeleg (GeSp) tegen Aegon heeft aangespannen, is het hof tot dezelfde afweging gekomen als HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, (GeSp/Aegon), welke leidde tot afwijzing van de vorderingen van de Vereniging.
Middel 1komt op tegen de weigering door het hof van de “akte, tevens verzoekschrift” ter rolle van 10 april 2012, zulks “Voor zover noodzakelijk met doorbreking van het rechtsmiddelenverbod ziende op rolbeschikkingen, c.q., in zoverre sprake is van een tussenvonnis ex art. 232 rv Pro., jo. art. 347 lid 1 Rv Pro.” De klacht houdt in dat het hof ongemotiveerd voorbij gaat aan “de uitgebreid onderbouwde stellingen van de advocaat van appellante in principaal appel behelzende dat te dezen sprake is van een uitzondering op de regel van art. 347 lid 1 Rv Pro”. Nadere toelichting of een vermelding van de vindplaatsen van de bedoelde stellingen ontbreekt.
middel 25. Dit middel verwijt het hof schending van art. 6 EVRM Pro “nu het Hof Amsterdam, naar het oordeel van de Vereniging willens en wetens, althans bewust roekeloos, althans door aanmerkelijke schuld onjuiste uitspraken gedaan en/of onjuiste arresten [heeft] gewezen, terwijl bij wel juiste uitspraken, de zaak in het voordeel van VCG/consumenten zou zijn beslecht.” Het middel insinueert dat het hof een faillissement van de bank wilde voorkomen en daarom zijn arresten onvoldoende en onbegrijpelijk heeft gemotiveerd met schending van de regels van stelplicht en bewijslast. Verder dan het uiten van deze opmerkelijke en ernstige aantijging komt middel 25 niet. Er worden geen specifieke gedragingen en/of overwegingen van het hof vermeld, waaruit zou blijken dat er ook maar enige grond zou bestaan voor dit verwijt.
middelen 2, 5 en 6verwijten het hof schending van art. 83 Rv Pro wegens het accepteren van de antwoordakte van Aegon van 26 juni 2012 en de antwoordakte na tussenarrest, welke niet door de procesadvocaat van Aegon zijn ondertekend.
middelen 3, 4 en 7bestrijden de weigering van de eiswijziging in het tussenarrest van 30 oktober 2012, rov. 2.12-2.14 en 2.16. Zij falen omdat daartegen geen hogere voorziening openstaat (art. 130 lid 2 Rv Pro), ook niet met een beroep op een doorbrekingsgrond (HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914, NJ 2000/220).
middelen 9 t/m 11falen, omdat zij niet voldoen aan de daaraan te stellen bepaaldheidseisen. Dit betreft overigens geen kwestie van bewijslast, anders dan middel 11 veronderstelt, maar van stelplicht: hoe gemotiveerder en beter gedocumenteerd de stellingen van een partij zijn, hoe concreter diens wederpartij zich tegen die stellingen zal moeten verweren.
middel 8over het oordeel in rov. 2.14 en 2.16. Volgens dit oordeel is de stelling van de Vereniging, dat hetgeen Aegon heeft aangeleverd is ‘verzonnen en gefabriceerd’ en ‘niets van doen heeft met de werkelijkheid’, niet voldoende feitelijk onderbouwd en toegelicht. Het hof overweegt dat de Vereniging niet uitlegt waaruit zou moeten blijken dat de door Aegon overgelegde stukken gefabriceerd zijn, dan wel aan welke feiten en omstandigheden het hof die conclusie zou moeten verbinden. In de antwoordakte van 12 augustus 2014 nrs. 10-24, waaraan het hof refereert, volstond de Vereniging naar de kern genomen met de reactie dat de door Aegon omschreven producten niet onder die lemma’s in het jaarverslag zijn terug te vinden; enige duiding of context biedt de akte niet. Niet onbegrijpelijk is dat het hof deze reactie gezien de stand van het geding onvoldoende vond, zodat dit middel faalt.
middelen 12 en 13bestrijden het oordeel in rov. 2.42, dat de mededelingen in de documenten van het welkomstpakket die de deelnemers niet voor het aangaan van de Sprintplanovereenkomsten onder ogen zijn gekomen, hen niet kunnen hebben misleid en/of tot het sluiten van de overeenkomsten hebben bewogen. Daarmee acht het hof een grief van de Vereniging gegrond (rov. 2.43). Daarover klaagt de Vereniging nu in cassatie met het argument dat het te laat aanbieden van informatie een bonus zet op het achterhouden van informatie en de deelnemer belemmert zich in te spannen de risico’s te begrijpen. Als de Vereniging dat had willen betogen, had zij dat in appel moeten doen. De middelen (die niet duidelijk maken dat de Vereniging dit in appel heeft betoogd) falen daarom.
middelen 14 t/m 21voldoen niet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv Pro en bouwen overigens voort op de voorgaande middelen, zodat zij eveneens falen. Het uitgangspunt van middelen 17, 18, 20 en 21 dat in deze procedure is komen vast te staan dat geen sprake is geweest van aankoop van obligaties, is bovendien feitelijk onjuist (zie rov. 2.19 van het eindarrest).
Middel 19, dat betoogt dat het hof ten onrechte geen gevolgtrekking verbindt aan het feit dat Aegon de feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd, miskent nog dat in cassatie niet kan worden geklaagd dat het hof geen gevolgtrekkingen aan de proceshouding van een partij heeft verbonden (HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, rov. 3.5.1).
middel 22, gericht tegen de verwerping van het bewijsaanbod in rov. 2.54, voldoet niet aan de daaraan te stellen bepaaldheidseisen en faalt. De klacht maakt niet duidelijk waarom het hof niet kon oordelen dat de bewijsaanbiedingen als niet ter zake dienend konden worden gepasseerd, maar volstaat met de mededeling: “Het is naar de mening van de Vereniging in het licht van de aangedragen uitgebreide onderbouwingen met dito stukken van overtuiging volslagen onvoldoende om slechts te volstaan met dit oordeel.”
Middel 23klaagt dat het hof niet is ingegaan op een door het middel als grief aangemerkte productie bij antwoordakte van 22 maart 2011 (te weten de daarbij overgelegde Richtlijn voor Reclames van Beleggingsinstellingen van De Nederlandse Bank). Het middel faalt, omdat het niet duidelijk maakt waarom het hof deze productie als grief had moeten aanmerken en, zo ja, waarom het die grief gezien de twee conclusie-regel dan nog had mogen beoordelen.
Middel 24faalt, omdat het hof is ingegaan op de stelling van de Vereniging dat Aegon het product bewust duur heeft gemaakt (rov. 2.20 van het eindarrest) terwijl het hof niet gehouden is daarbij elke stelling of productie van een partij afzonderlijk te behandelen.