Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof het verzoek van de verdediging tot het horen van zedenrechercheur [verbalisant] als getuige ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.
tweede middelwordt gesteld dat het hof het (bewijs)verweer, inhoudende dat er tussen verdachte en aangeefster geen sprake was van een hulpverleningssituatie zoals bedoeld in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr, dan wel - indien toch zou worden aangenomen dat er sprake was van een hulpverleningssituatie – dat deze geen rol speelde bij de seksuele contacten tussen hen, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Daarnaast zou het oordeel van het hof dat er sprake is van het plegen van “ontucht” in de zin van art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr getuigen van een verkeerde rechtsopvatting.
in de relatie hulpverlener-patiënt/cliëntstrafbaar, omdat in een dergelijke functionele relatie een bepaalde mate van afhankelijkheid bestaat die gevolgen
kan hebbenvoor de vrijwilligheid van de seksuele relatie. Dit verbod geldt alleen dan niet, als het seksuele contact
niet samenhangt met of voortvloeit uit de hulpverleningsrelatie. Dus slechts als bij de patiënt/cliënt sprake is van
vrijwilligheidén enige vorm van uit een hulpverleningsrelatie voortvloeiende
afhankelijkheid niet van invloed isén de seksuele handelingen los staan van de relatie tussen de hulpverlener en zijn cliënt, dan vallen de seksuele handelingen niet onder het bereik van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr. [7]
derde middelbevat twee klachten waarvan de eerste klacht is, dat de bijzondere voorwaarde die het hof heeft gekoppeld aan de voorwaardelijke gevangenisstraf ontoelaatbaar is.