Uitspraak
de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, rekwirant van cassatie in het belang der wet tegen een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te
Amsterdamvan 19 januari 1967, waarbij
[veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932, monteur, wonende te [plaats] , ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring I aldaar, wegens I. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", II. "Opzettelijk en wederrechtelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd", III. "Poging tot doodslag", onder aanhaling van de artikelen 14a, 14b, 27, 33, 33a, 45, 57, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, met bevel dat vier maanden van die straf niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of zich op andere wijze heeft misdragen of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde: dat hij binnen twaalf uur na zijn invrijheidstelling Nederland verlaat en daarin binnen de proeftijd niet terugkeert, met verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voorwerp, zoals in het vonnis nader omschreven;