Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste en tweede middel
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof de verzoeken tot oproeping van de getuigen [betrokkene 1] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen door te oordelen dat het horen van deze personen niet noodzakelijk is en/of dat die afwijzing onbegrijpelijk is, mede in het licht van hetgeen ter onderbouwing daarvan is aangevoerd.
tweedemiddel klaagt dat het hof het verzoek tot het doen opmaken van een reclasseringsrapportage heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen en/of dat die afwijzing onbegrijpelijk is.
Getuigen
(plv. AG: bedoeld zal zijn ‘verklaard’)dat zij na de eerste schoten naar buiten wilde gaan, maar is tegengehouden door een agent. Uit de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] blijkt dat zij op dat moment al buiten waren, terwijl verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op dat moment nog aanrijdend waren. Er is sprake van discrepantie tussen deze verklaringen. Uit de verklaring van [betrokkene 1] zou kunnen volgen dat verbalisanten [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] de eerste schoten niet gezien kunnen hebben, omdat zij nog aanwezig waren bij [betrokkene 1] . Dit is tevens een van de redenen om de hiervoor genoemde verbalisanten te horen. Bovendien is
(plv. AG: er)onduidelijkheid over de positie van de auto van verbalisant [verbalisant 3] en de positie van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 4] tijdens de verschillende schoten en wat zij hebben kunnen zijn
(plv. AG: bedoeld zal zijn ‘zien’). Uit de verklaringen komt geen eenzijdig beeld naar voren. Bovendien wil ik hen een positie laten bepalen op basis van een overzichtskaart en (plv. AG: hen) hierover nader bevragen.
Onderzoekswensen
eerstemiddel faalt.
tweedemiddel voert de steller van het middel aan dat het niet duidelijk is waarom de proceshouding van de verdachte het opmaken van een reclasseringsrapport niet noodzakelijk doet zijn, net zomin als dat duidelijk is dat en waarom zijn verblijf in het buitenland aan het opmaken daarvan in de weg zou staan. Dat de verdachte een ontkennende verdachte is laat immers onverlet dat een reclasseringsrapport meer informatie kan verschaffen over welke straf voor het bewezenverklaarde feit moet worden opgelegd, over de persoon van de verdachte, zijn levensomstandigheden en de kans op recidive. Dat geldt ook in de situatie waarin de verdachte in het buitenland verblijft. In de onderhavige zaak moeten de effecten van de oplegging van een langdurige gevangenisstraf volgens de steller van het middel van groot belang worden geacht, met name gelet op de gedateerdheid van de feiten en het leven van de verdachte in Zwitserland.
tweedemiddel faalt.
3.Het derde middel
derdemiddel valt uiteen in twee deelklachten. Het bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof bij zijn oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden niet heeft aangegeven in welke mate van overschrijding sprake is geweest. In de tweede plaats wordt betoogd dat het rechtsgevolg dat het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Strafmaat
(plv. AG: bedoeld zal zijn 16 juli 2019)heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgehad, waarna op 30 juli 2019 arrest wordt gewezen.
eerstedeelklacht dat het hof niet heeft vastgesteld in welke mate de redelijke termijn is overschreden merkt de steller van het middel zelf al terecht op dat gelet op de door het hof vastgestelde feiten er vanuit moet worden gegaan dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 6 maanden en 25 dagen.
eerstedeelklacht.
NJ2008/358 bevat het middel in de
tweedeplaats de klacht dat het hof aan de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn het rechtsgevolg van vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van slechts een week heeft verbonden, terwijl door de Hoge Raad aan een overschrijding van meer dan 6 maanden het rechtsgevolg van vermindering van 10% van de opgelegde gevangenisstraf wordt verbonden.
nade uitspraak waartegen beroep in cassatie in ingesteld. [12] De Hoge Raad toetst die fase als feitenrechter. Wanneer het echter gaat om tijdsverloop
vóórde uitspraak waartegen het cassatieberoep zich richt, toetst de Hoge Raad als cassatierechter. De kortingspercentages waarop de steller van het middel zich beroept, hebben geen betrekking op die fase. Hoogstens
kunnenze de feitenrechter tot richtsnoer dienen. [13] Daarbij geldt dat de vermindering van de straf afhankelijk is van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, maar dat algemene regels ten aanzien van de wijze waarop de straf dient te worden verminderd niet zijn te geven. [14] Mijn ambtgenoot Hofstee heeft hierover opgemerkt dat uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de Hoge Raad de rechter in dit binnen de feitenrechtspraak gelegen kader vrijheid wil geven om (ook) andere, zowel hogere als lagere, kortingspercentages toe te passen aangezien een dergelijk oordeel sterk is verweven met waarderingen van feitelijke aard. [15]
derdemiddel faalt.
4.Het vierde middel
vierdemiddel wordt geklaagd dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden.
vierdemiddel is terecht voorgesteld.
5.Het vijfde middel
vijfdemiddel wordt erover geklaagd dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd.
vijfdemiddel is, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.