ECLI:NL:HR:2008:BE9808
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel ondanks overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast bestreed hij de hoogte van het ontnemingsbedrag en de motivering van het hof.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Het hof had het ontnemingsbedrag met 10% verminderd vanwege de termijnoverschrijding, wat niet onbegrijpelijk is. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof na terugwijzing door de Hoge Raad een hoger ontnemingsbedrag mag vaststellen dan in de eerdere uitspraak.
Verder wordt het verweer dat de kasopstelling onjuist zou zijn vanwege niet verwerkte contante betalingen verworpen, mede omdat de getuigenverklaringen dit niet aannemelijk maakten. Klachten tegen een overweging ten overvloede worden niet-ontvankelijk verklaard. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hogere ontnemingsbedrag van €177.311,- ondanks overschrijding van de redelijke termijn.