AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Uitleg sociaal plan en compensatie van het mislopen van het Vendrik-effect bij vroegpensioen
Stichting Kempisch Centrum voor Muziek & Dans (KCMD) en een werknemer zijn in geschil geraakt over de uitleg van een sociaal plan dat bij de beëindiging van KCMD is overeengekomen. Het geschil betreft de vraag of KCMD verplicht is de werknemer te compenseren voor het mislopen van het zogenaamde Vendrik-effect, een pensioenvoordeel dat ontstaat bij uitstel van gebruik van het Flexibel Pensioen Uittreden (FPU).
Het sociaal plan bepaalt dat werknemers geboren voor 1 januari 1950 op non-actief worden gesteld met behoud van salaris en pensioenopbouw en vanaf 62 jaar en 3 maanden gebruik kunnen maken van FPU, waarbij het salaris wordt aangevuld en pensioen wordt ingekocht zodat geen nadeel ontstaat. De werknemer maakt vanaf 1 februari 2009 gebruik van FPU en loopt daardoor het Vendrik-effect mis. De bezwarencommissie oordeelde dat compensatie voor dit nadeel onderdeel is van het sociaal plan, maar KCMD nam een nieuw besluit waarin dit werd afgewezen.
De kantonrechter wees de vordering van de werknemer af, het hof oordeelde juist dat KCMD gebonden is aan de uitspraak van de bezwarencommissie en dat het sociaal plan compensatie van het Vendrik-effect inhoudt. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de CAO-norm correct heeft toegepast bij de uitleg van het sociaal plan en dat de werkgever gebonden is aan de uitspraak van de bezwarencommissie, waarbij partijen ondubbelzinnig afstand hebben gedaan van het recht op toegang tot de rechter.
De Hoge Raad verwerpt het principaal cassatieberoep en overweegt dat het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep slechts slaagt als het principaal beroep zou slagen, wat niet het geval is. De uitspraak bevestigt dat de werknemer recht heeft op compensatie van het mislopen van het Vendrik-effect conform het sociaal plan en dat de werkgever daaraan gebonden is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat KCMD de werknemer moet compenseren voor het mislopen van het Vendrik-effect en dat KCMD gebonden is aan de uitspraak van de bezwarencommissie.
Voetnoten
1.Dit effect treedt op bij ABP-pensioenverzekerden en ontleent zijn naam aan het amendement Vendrik bij het wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL). De Wet VPL inclusief het amendement Vendrik is op 1 januari 2006 in werking getreden. In het amendement Vendrik is onder meer geregeld dat het uitkeringspercentage van VUT- en prepensioenuitkeringen hoger wordt naarmate men later uittreedt. Neveneffect ervan is dat het in vrijwel alle gevallen gunstiger is om bij een leeftijd van 64 jaar en 11 maanden met FPU te gaan (waarna men maximaal kan profteren van het Vendrik-effect en dus veel meer pensioen geniet), dan om pas bij 65 jaar met pensioen te gaan.
2.Rov. 8.6.7 van het tussenarrest van 3 april 2012.
3.Zie rov. 8.1-8.1.8 van het bestreden tussenarrest van hof ’s-Hertogenbosch van 3 april 2012.
4.Prod. 1 inleidende dagvaarding.
5.Dat is het moment waarop de werknemer aanspraak kan maken op een FPU-uitkering van 70% van het laatstverdiende salaris, vgl. cvd 2.11.
6.FPU staat voor Flexibel Pensioen Uittreden (zie bijv. s.t. KCMD 1.1).
7.Prod. 3 inleidende dagvaarding.
8.Prod. 4 inleidende dagvaarding.
10.De cassatiedagvaarding is op 1 juli 2014 uitgebracht.
11.Bij onwelwillende lezing van de klachten zou Uw Raad het principaal cassatieberoep op het volgende kunnen afwijzen. Onderdeel 1 richt zich
12.Resp. 1) prod. 9 inleidende dagvaarding, vgl. rov. 8.6.6; 2) prod. 8 inleidende dagvaarding, vgl. rov. 8.6.6; 3) prod. 7 inleidende dagvaarding, vgl. rov. 8.6.7 en 4) prod. 10 cvr, vgl. rov. 8.6.7.
13.Goeddeels ontleend aan de conclusie van A-G Verkade (onder 4.19.1) vóór HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9784, JAR 2010/256 (Labots/UWV), onder verwijzing naar HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961, NJ 2000/473 (AKZO/FNV). 14.Vgl. o.m. HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:218, NJ 2015/122, m.nt. Barentsen (Lumanauw/Schade NV); HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889, NJ 2012/142 (ROM/PME); HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7407, NJ 2008/245 (Mustert/O); HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6699, NJ 2008/567, m.nt. Verhulp (Zutekouw/Van Oort Transport); HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493, m.nt. Du Perron (DSM/Fox); HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002: AE4366, NJ 2003/111, m.nt. Heerma van Voss (Buijsman/Akersloot); HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376, NJ 2003/110, m.nt. Heerma van Voss onder NJ 2003/111 (Ziekenhuis De Heel/Huisman c.s.); HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000AA5961, NJ 2000/473 (AKZO/FNV); HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1072, NJ 1994/174, m.nt. PAS (Hol en FNV/Stg. Ec. Inst. MKB) en HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1059, NJ 1994/173, m.nt. PAS onder NJ 1994/174 (Gerritse/Hydro Agri Sluiskil). Zie voor verdere rechtspraakvermeldingen Van der Grinten/Bouwens/Duk, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2015, par. 2.3; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/373 e.v.; Jacobs, Collectief arbeidsrecht, 2013, par. 5.6.2 en Asser/Heerma van Voss 7-V 2012, nr. 514-515. 18.Het gebruik van het woord “Voorts” in een nieuw randnummer in rov. 8.6.7 suggereert een zelfstandig nieuw argument en geen voortbouwende uitleg – alhoewel ik toegeef dat je het ook in laatstbedoelde zin kan opvatten.
19.[verweerder] heeft dit standpunt betrokken bij grief 1 onder 5, maar ook in weer iets andere sleutel in MvG onder 17 (m.i. als verkapte grief op te vatten): “Ook heeft de kantonrechter geen gewicht toegekend aan de mededeling van het bestuur in haar e-mail van 18 februari 2009 (productie 11 in eerste aanleg) waarbij is aangegeven dat het bestuur zou berusten in het oordeel van de bezwarencommissie. Daarmee heeft het bestuur immers een onvoorwaardelijke toezegging gedaan om het Vendrik-effect te compenseren.” De betreffende e-mail van bestuurder [betrokkene 6] aan onder meer [verweerder] (prod. 11 cvr) bevat voor zover relevant de volgende passages:
20.Onder meer en toegegeven: omstandigheden 1) en 2) zijn er als subjectieve factoren ten onrechte bijgehaald, maar omstandigheden 3) en 4) zijn dusdanig kras, dat deze zwaar mee kunnen wegen, zo ze al niet zelfstandig houden als toezegging, zie hiervoor in mijn eerste benadering.
21.Gelet op de vloeiende overgang zou hier vanwege de relatie werknemer-werkgever ook de tussencategorie “geobjectiveerde” Haviltex de meest rake toetssteen kunnen zijn; in deze zin aarzelend Du Perron in zijn NJ-noot onder DSM/Fox, waarin hij aangeeft dat sinds dat arrest in één driehoeksverhouding verschillende uitlegmethoden kunnen worden toegepast, bedoelde tussencategorie volgens hem “vermoedelijk” in de relatie werknemer-werkgever bij uitleg van een pensioenreglement (bevestigend eerder HR 18 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7002, NJ 2003/258, m.nt. M.M. Mendel (Pieterse/NN)). In dezelfde zin Wissink, Uitleg volgens Haviltex of de CAO-norm? Over een vloeiende overgang en de noodzaak om toch te kiezen, WPNR 6579 (2004), m.n. par. 6. Mij spreekt dat wel aan als methode om in dit soort krasse gevallen binnen een meer objectieve uitlegcontext toereikend recht te kunnen doen aan de specifieke omstandigheden van het geval. Wissink, t.a.p. wees er al op: grensafbakening tussen de CAO-norm en de geobjectiveerde Haviltex-norm is niet duidelijk. Zie voor de verdere ontwikkeling van de geobjectiveerde Haviltex-norm HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx) – uitleg commercieel contract tussen grote partijen, HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078, NJ 2013/522 (v. Wijk en Kool/VvE ‘De Prinsenwerf’) – uitleg splitsingsakte en splitsingstekening en HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. H.J. Snijders (Coface/Intergamma) – uitleg contractueel overdraagbaarheids- of verpandingsverbod in algemene voorwaarden. 22.HR 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2752, NJ 2001/692 (Bartels/Hogeschool Brabant) en HR 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2085, NJ 1996/693, m.nt. PAS (Amghane/Mij. tot Nut van ’t Algemeen Eindhoven). Zie ook o.a. EHRM 27 februari 1980, ECLI:NL:XX:1980:AC6833, NJ 1980/561 (Deweer). Zie voor verdere rechtspraakverwijzingen o.a. Ernste, Bindend advies, 2012, p. 109 e.v., Snijders, Klaassen & Meijer, 2011, nr. 378, Loonsta/Van der Voet, De kwaliteit en wenselijkheid van alternatieve geschillenprocedures in cao’s, Arbeid integraal, 2007-2, p. 65-79 en Van der Voet, Incorporatie van een in een CAO opgenomen arbitragebeding in de individuele arbeidsovereenkomst – rechtsgeldig?, ArA 2006-1, p. 33-45. 23.De passage luidt, voor zover van belang: “De werkgever heeft [verweerder], na de uitspraak van de bezwarencommissie, in eerste instantie meegedeeld dat was besloten om de uitspraak van de bezwarencommissie te accepteren, zoals blijkt uit de e-mail van 18 februari 2009 (productie 11 in eerste aanleg). Vervolgens is de werkgever daarop teruggekomen – naar [verweerder] meent onder druk van de gemeente die immers garant staat voor de betaling – en heeft de werkgever een schikkingsvoorstel gedaan (…). (…) [verweerder] is van mening dat de werkgever, door te willen schikken, de uitkomst van de bezwarencommissie heeft geaccepteerd, dan wel heeft aangegeven dat ze een mate van compensatie van het nadeel redelijk acht.”
24.De passage luidt: “In die periode van bestuurlijke heroverweging [lees: na ontvangst van de beslissing van de bezwarencommissie, A-G] is de e-mail van [betrokkene 6] verzonden die als productie 11 bij de conclusie van dupliek is overgelegd. Deze e-mail is op 18 februari 2009 door [betrokkene 6] verzonden zonder overleg met het bestuur en op persoonlijke titel. Van een officiële berichtgeving is geen sprake. Ook is de e-mail niet te kwalificeren als concreet en ongeclausuleerd.” Die laatste wat wonderlijke stelling, die verder niet is onderbouwd, spoort niet met de tekst van de e-mail van bestuurder [betrokkene 6] zelf, die juist aangeeft dat [betrokkene 6] dit zo voorafgaand in de bestuursvergadering heeft besproken (“In het bestuur is gisteravond tijdens de vergadering besloten dat het bestuur van verdere actie afziet. D.w.z. dat het bestuur niet naar de rechter zal stappen.”).