Conclusie
middelbevat de klacht dat het hof het verzoek om getuige [getuige] , alias [getuige] , te horen, heeft afgewezen op gronden die die beslissing niet kunnen dragen, althans dat die beslissing onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
- Op 17 maart 2011 is namens verdachte tijdig een appelschriftuur ingediend waarin wordt verzocht in verband met feit 5, deelname aan een criminele organisatie, onder anderen “ [getuige] ” als getuige te horen.
- Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 november 2011 blijkt dat ten aanzien van de getuige [getuige] door het hof de volgende beslissing is genomen:
gehoord. Art. 288, eerste lid onder a, Sv, dat op grond van art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing is, bepaalt dat een getuigenverzoek mag worden afgewezen wanneer niet aannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare termijn op de
terechtzittingzal verschijnen. Desalniettemin lijkt mij de maatstaf die het hof heeft gehanteerd in overeenstemming met de ratio van de weigeringsgrond: het gaat er om of de getuige kan worden gehoord en niet of hij op een bepaalde plaats kan worden gehoord. [3] In het onderhavige geval is de centrale vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat de getuige middels een rechtshulpverzoek in Turkije niet binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.
“sole or decisive rule”wel een belangrijke rol speelt. [16] Weliswaar gaat het daarbij voornamelijk om verklaringen van getuigen die, anders dan in onderhavige zaak, wél voor het bewijs zijn gebruikt, maar art. 6 lid Pro 3d EVRM is ook van toepassing als het gaat om het horen van getuigen à décharge zoals in onderhavige zaak. Uit de uitspraken van het EHRM die hierop betrekking hebben kan eveneens worden afgeleid dat het ondervragingsrecht gerelateerd wordt aan het overige bewijs in de zaak. In de zaak Topić tegen Kroatie overwoog het EHRM onder het kopje “General principles”: