Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
8 april 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 4 oktober 2012. De raadsman van de verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld, welke zijn beoordeeld door de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de middelen onderzocht en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden.
Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, heeft de Hoge Raad besloten dat nadere motivering niet noodzakelijk is omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad heeft het beroep van de verdachte verworpen en het arrest van het Gerechtshof Arnhem bekrachtigd. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 8 april 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is verworpen en het arrest van het Gerechtshof Arnhem is bekrachtigd.