Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
31 maart 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak is aan verdachte bewezenverklaard dat hij samen met een ander een geldbedrag van 10.000 euro onder zich had, waarvan bekend was dat het afkomstig was uit een misdrijf. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging ter terechtzitting het hof om de moeder van de medeverdachte als getuige te horen, omdat uit eerdere verklaringen bleek dat het geld van haar afkomstig zou zijn, wat de verdenking van witwassen zou kunnen ontkrachten.
Het hof wees dit verzoek af met het argument dat er voldoende gelegenheid was geweest om het verzoek eerder in te dienen en dat het belang van een voortvarende afhandeling zwaarder woog. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn beslissing onvoldoende had gemotiveerd, met name omdat niet duidelijk was welke andere belangen dan het belang van voortvarendheid waren meegewogen, terwijl de verdediging het verzoek ook in eerste aanleg had gedaan en de verdachte toen was vrijgesproken.
De Hoge Raad herhaalt de criteria uit het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2014:1496 over het oproepen en horen van getuigen in hoger beroep en stelt dat het hof het verzoek tot het horen van de getuige moet beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheidcriterium. Omdat het hof dit niet adequaat had gedaan, vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.