Conclusie
novaen het toepassen van hoor en wederhoor nadat het hof om nadere inlichtingen had verzocht.
€ 2.500.000,--
Door u te voldoen EUR 875.310,67” en één betreffende de verkoop van [A], waarvan het slot luidt:
de vorderingen, inclusief daarover te ontvangen rente, op Greven & Hilgen Netwerk Notarissen uit hoofde van de voor de pandgever aangehouden spaar-/ depositogelden op/ onder nummer [010] c.q. de daarvoor in de plaats tredende rekening(en), rekeningnummer(s) of contractnummer(s) grootEUR 1.200.000,00.”
de vorderingen, inclusief daarover te ontvangen rente, op Greven & Hilgen Netwerk Notarissen uit hoofde van de voor de pandgever aangehouden spaar-/ depositogelden op/onder nummers [010] en [014] en [013] c.q. de daarvoor in de plaats tredende rekening(en), rekeningnummer(s) of contractnummer(s) thans groot EUR 1.200.000,00.”
[verweerder], aflossing Rabo Noordenveld West Groningen” en een bedrag van € 550.000,- uit hoofde van “
[verweerder] Betalingskenmerk […] Eurobetaling SHA handm. spoed [verweerder] VOLGENS OPDRACHT” afgeboekt. Op 17 maart 2010 is van deze rekening een bedrag van € 33.337,77 overgeboekt naar een rekening van [verweerder] onder de vermelding “
overboeking ivm opheffen rek. greven netw. notaris”. Vanaf dat tijdstip bedroeg het saldo van de rekening nihil.
[015] DERDENGELDEN GREVEN NETW CF AFSRPAAK [4] ”.
2.Bespreking van het cassatieberoep
onderdelen 2.1-2.4zijn gericht tegen rov. 49, 54-55, 59-62, 65-67 en 69 van het tussenarrest. Voorafgaand overweegt het hof in rov. 48 van dat arrest dat incidentele grief III de verste strekking heeft en opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat het er om gaat dat ultimo 10 april 2008 een bedrag zo groot als de verkoopopbrengst van [A] in depot stond bij de notaris. Over de stelling van de ouders dat [verweerder] de opbrengst van [A] met de koopsom van het horecapand heeft verrekend en bovendien het depot heeft aangevuld met geleend geld, zodat conform de meerwaardeclausele (meteen) diende te worden verrekend, overweegt het hof dan in het tussenarrest:
€ 3.050.000,- min 1/100 deel van wat al in eigendom was bij [verweerder] (groot € 20.124,89), resteert € 3.029.875,11 te verminderen met de overnameprijs die [verweerder] aan de ouders betaalde: € 878.712,- min € 108.544,- voor inventaris, dus € 770.168,-, wat een bedrag van € 2.259.707,11 oplevert. Volgens rov. 57 vallen opstallen en ondergrond daarvan buiten de verrekenplicht en die belopen € 550.000,-, zodat aan meerwaarde met verdiscontering hiervan resteert € 1.709.707,11. De ouders kunnen daardoor volgens het hof maximaal aanspraak maken op de helft van dit bedrag, € 854.853,56. Na verwerping in rov. 58 van het beroep van [verweerder] op gerechtelijke erkenning door de ouders ten belope van een lager verrekenbedrag, vervolgt het tussenarrest met:
“ontvangen vergoeding”binnen twee jaar zal gebruiken voor de koop van vervangende registergoederen voor de agrarische bedrijfsuitoefening. De
“ontvangen vergoeding”moet gedurende die periode van maximaal twee jaar in depot worden gestort bij een notaris.
“dan dient dat deel onmiddellijk verrekend te worden”. Die uitleg strookt bovendien met de bedoeling van het depot om een zo groot mogelijk bedrag beschikbaar te houden voor vervangende agrarische onroerende zaken.
spaar-/depositogelden op/onder nummer [010] c.q. de daarvoor in de plaats tredende rekening(en), rekeningnummer(s) of contractnummer(s)”. Gelet op het feit dat de gehele opbrengst van de boerderij met landerijen van € 3.050.000,- in depot is gestort, blijft ook bij een pandrecht op een bedrag van € 1.200.000,- de helft van de maximaal te verrekenen meerwaarde, zijnde € 854.853,56, voor [eisers] beschikbaar.
spaar-/ depositogelden op/onder nummers [010] en [014] en [013] c.q. de daarvoor in de plaats tredende rekening(en), rekeningnummer(s) of contractnummer(s)”.
c.q. de daarvoor in de plaats tredende rekening(en), rekeningnummer(s) of contractnummer(s)” is toegevoegd heeft [verweerder] per saldo twee keer een pandrecht aan Rabobank verleend tot een bedrag van maximaal € 1.200.000,-.”
onderdeel 2.3tasten deze klachten ook de geldigheid van rov. 49 van het tussenarrest aan, waarin grief III van het incidenteel appel van de ouders is verworpen met de redenering dat zij door de transacties op 10 april 2008 niet zijn benadeeld. Daarmee treedt het hof bovendien buiten het debat van partijen, nu [verweerder] in feitelijke instanties een dergelijke stelling niet heeft ingenomen. Het onderdeel stelt dat het hof dit allemaal heeft miskend, of geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
onderdeel 2.4ook voor rov. 54, 60-62 en 65-67 van het tussenarrest, waarin het hof de clausule heeft uitgelegd en toegepast voortbordurend op rov. 49 en ook ten aanzien van de (dubbele) verpanding van oordeel is dat dit bij gebreke van nadeel voor de ouders niet meebrengt dat moet worden verrekend (rov. 62 van het tussenarrest). Ook hier gaat het hof voorbij aan de essentiële stellingen a)-g), waaruit volgt dat in strijd met de kennelijke strekking van de meerwaardeclausule is gehandeld door [verweerder]; de (dubbele) verpanding maakt immers de horeca-exploitatie mogelijk. Daarmee is ook de geldigheid aangetast van rov. 69 van het tussenarrest en rov. 2.5 en 2.19 t/m 3 van het eindarrest.
onderdeel 2.1als een zelfstandige klacht moet worden opgevat en niet als een inleiding op de onderdelen 2.2-2.4 , voldoet deze niet aan de eisen die de wet aan een cassatieklacht stelt (art. 407 lid 2 Rv Pro). Bij de rechtsklacht is niet vermeld tegen
welke oordelenhet is gericht en bij de motiveringsklacht is niet met bepaaldheid en precisie vermeld
welke beslissingen of overwegingenonvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk zijn. Ook anderszins kan dit niet tot cassatie leiden.
feitelijkbeschikbaar is gebleven voor de aankoop van vervangende agrarische nering. Dat op een deel van het depot een pandrecht was gevestigd, maakt dat volgens het hof niet anders (rov. 2.5 eindarrest nog eens hierover, in aanvulling op rov. 62 van het tussenarrest). Dit is een typisch feitelijke weging van de omstandigheden. Het hof heeft verder vastgesteld dat er op 4 maart 2010 een bedrag van € 2.333.337,77 beschikbaar was voor de aankoop van vervangend agrarisch bedrijfsonroerend goed (rov. 2.12 eindarrest). De prijs van de door [verweerder] aangeschafte Deense boerderij met landerijen bedraagt € 3.111.956,70. Daartoe is op 8 maart 2010 een bedrag van DKK 24.750.000,-, omgerekend € 3.330.193,76, overgeboekt naar een Deense Bank (rov. 2.14-2.15 eindarrest). Het hof heeft vervolgens na analyse van de akte-inhoud na tussenarrest geconcludeerd dat [verweerder] Veltingheems integrale meerwaarde heeft geïnvesteerd in verwerving van een agrarisch bedrijf in Denemarken. Hij heeft daarmee volgens het hof voldaan aan de uitzondering van lid 7 van de meerwaardeclausule, zodat niet met zijn ouders behoefde te worden verrekend.
nietdoor [verweerder] uit de meerwaarde van [A] betaald, maar uit de door de v.o.f. K en A verschafte lening. De meerwaarde van [A] is om die reden niet gebruikt voor de aanschaf van het hotel/restaurant, zo begrijp ik de misschien wat formele visie van het hof. Anders gezegd: de ouders zijn niet benadeeld, nu de afzonderlijke transacties uit doelmatigheidsoverwegingen ineen zijn geschoven. Dat komt volgens het hof niet in strijd met (de strekking van) de meerwaardeclausule (een gedeeltelijke verwerping van argumenten c) en e)) en geeft de ouders geen (deel)recht op onmiddellijke verrekening (een weerlegging van argument g), zie ook rov. 61 van het tussenarrest).
ongewijzigdelid 7 van de meerwaardeclausule. Het onderdeel hint hier kennelijk op een
a contrarioredenering.
onderdelen 2.1-2.2en
2.4stuiten op het voorgaande af en dat geldt ook goeddeels voor
onderdeel 2.3.De daarin nog verwoorde klacht dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden met zijn overweging (rov. 49) dat [eisers] niet zijn benadeeld, is ook tevergeefs voorgesteld. Het is een feitelijke omstandigheid die het hof bij zijn uitleg kon betrekken en zonder meer kon afleiden uit de door hem vastgestelde feiten. Het hof heeft uiteengezet dat de financiële transacties op 10 april 2008 uit praktische overwegingen op deze wijze zijn uitgevoerd en daarmee niet is gehandeld in strijd met de meerwaardeclausule. Er is niet vastgesteld dat de meerwaarde van [A] is gebruikt voor de aanschaf van het hotel/restaurant, zo werd hiervoor al gezien in 2.8. Dat de ouders door die financiële transacties niet zijn benadeeld, is dan een te begrijpen gevolgtrekking [26] . Anders dan het onderdeel aangeeft, heeft [verweerder] zich daar in de feitelijke instanties ook op beroepen met de stelling dat door de transacties op 10 april 2008 het recht van de ouders niet is geschonden [27] .
enkele verpandingvormt in
die specifieke omstandighedendan geen grond voor onmiddellijke verrekening volgens de meerwaardeclausule, aldus het hof (vgl. rov. 2.4-2.5 van het eindarrest). In deze specifieke omstandigheden kon de meer algemene vraag of bezwaring überhaupt aanleiding kan geven tot onmiddellijke verrekening in het midden blijven, zo begrijp ik de gewraakte overweging van het hof. Ik geef toe dat de motivering van het hof over de gedeeltelijke verpanding niet het meest overtuigende steentje in zijn redenering is – het heeft elementen van een doelredenering in zich – maar dat maakt niet dat deze cassatieklacht kan slagen. Anders gezegd: belang bij beantwoording van de principiële vraag ontbreekt, nu niettegenstaande gedeeltelijke verpanding door tijdige integrale besteding van het depot voor vervangend agrarisch onroerend goed in Denemarken de uitzondering op de verrekenplicht opgaat, aldus het hof in rov. 2.4, 2.5 en 2.16 van het eindarrest.
opbrengstbij elkaar moet worden gehouden voor aankoop van vervangend agrarisch goed door [verweerder]. Dat maakt hem mogelijk om ook in de toekomst een inkomen uit agrarische bedrijfsvoering te verwerven. In de optiek van het hof gaat het alleen om de opbrengst van [A] en niet om de daarop gegenereerde rente. De tekst van lid 7 bepaalt niets over rente, rept alleen over de “ontvangen vergoeding” (zonder verdere definitie overigens, een onduidelijkheid die moet worden uitgelegd). De rentevergoeding over de opbrengst behoort volgens het hof tot het vermogen van [verweerder]. Dat is na protest van de ouders na tussenarrest daartegen nog eens met uitleg bevestigd in rov. 2.7 van het eindarrest. Daarin is overwogen dat rente een vergoeding is die wordt ontvangen voor het ter beschikking stellen van kapitaal en daarmee een bron van inkomsten vormt, ook in fiscale zin. Dat rente tevens kan worden gezien als inflatiecorrectie leidt volgens het hof niet tot een ander oordeel. Deze redenering kan volgens mij gewoon stand houden.
onderdelen 2.9-2.13zijn gericht tegen het oordeel over aanwending van het depot voor verwerving van vervangend agrarisch onroerend goed, rov. 78-79 van het tussenarrest en rov. 2.12-2.18 van het eindarrest:
onderdeel 2.9is rov. 2.18 van het eindarrest (stellingen en stukken over aanwending depot voor verwerving Deense boerderij/landerijen bij antwoordakte van de ouders tardief gelet op goede procesorde) rechtens onjuist en onbegrijpelijk. Deze antwoordakte is een reactie op [verweerder]’s akte na tussenarrest en op de producties bij antwoord in het incidenteel appel. Bij die antwoordakte wordt als prod. 2 overgelegd een brief van mr. Vermeij, een van oorsprong Nederlandse advocaat in Denemarken, van
12 februari 2012. Het laatste processtuk van de ouders (mva) is van
31 januari 2012, dus van vóór de brief van mr. Vermeij. Als het hof in rov. 2.18 het oog heeft op de twee-conclusieregel of de “in beginsel strakke regel” miskent het dat die niet opgaat als het hof om nadere informatie verzoekt en de wederpartij daarop mag reageren. Dan moet het die laatste partij zijn toegestaan daar weer op te reageren met verwijzing naar nieuwe stukken. Althans betreffen dit nieuwe ontwikkelingen waardoor onverkorte toepassing van die regel in strijd komt met de goede procesorde en met het beginsel van hoor en wederhoor. Heeft het hof niet de in beginsel strakke regel heeft toegepast, dan geldt hetzelfde op grond van het beginsel van hoor en wederhoor. Weliswaar mag het hof volgens het onderdeel het een en ander niet als vaststaand aannemen, wanneer de ouders het laatst aan het woord zijn geweest en [verweerder] daarop niet meer heeft gereageerd, maar het hof had met dit rapport in het kader van de betwisting van de stellingen van [verweerder] wel rekening behoren te houden, zo luidt de klacht. De ouders geven aan belang bij deze klacht te hebben in combinatie met de navolgende onderdelen.
onderdeel 2.11gaat het hof bovendien in rov. 2.18 en ook overigens bij eindarrest (rov. 2.12-2.16) niet in op de essentiële stellingen van de ouders onder 6, 7 en 11 van hun antwoordakte van 8 januari 2013 dat er sprake is van “Euroleningen” en dat er een gat zit van € 3 ton in de verantwoording van de aanwending van het depot. Deze stellingen zijn volgens de ouders essentieel, omdat zij aangeven dat en waarom er door [verweerder] moet worden verrekend op basis van de meerwaardeclausule. Het hof gaat daarentegen wel in op de stelling dat er ook een schuld is overgenomen van € 8,2 ton, maar over verdiscontering daarvan in de koopprijs is door partijen niets aangevoerd, zodat het hof hier buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Rov. 2.18 van het eindarrest vormt volgens het onderdeel geen adequate reactie op de hiervoor aangegeven stellingen, in combinatie met het onder 6 bij antwoordakte gestelde (uit de verklaring van mr. Vermeij blijkt dat in de oude situatie (toen [verweerder] eigenaar was van [A]) er een onbeleende situatie was van meer dan € 2 miljoen en nu is in totaal € 2,9 miljoen beleend) en onder 15 t/m 17 van deze akte ([verweerder] heeft zich niet aan de clausule gehouden en niet de hele opbrengst van de boerderij aangewend voor de aankoop van vervangend agrarisch onroerend goed in Denemarken). Daarmee hebben de ouders gemotiveerd betwist dat [verweerder] zich aan de meerwaardeclausule heeft gehouden en niet delen van het depot heeft aangewend voor het aflossen van horecaleningen of andere niet toegestane doeleinden.
onderdeel 2.12tasten de onderdelen 2.10-2.11 ook de geldigheid van rov. 2.12-2.16 van het eindarrest aan. Ook daar gaat het hof niet in op de stellingen over de Euroleningen. Het enkele feit dat bedragen zijn overgeboekt naar een rekening in Denemarken (rov. 2.15 van het eindarrest) betekent niet dat dit geld ook daadwerkelijk is besteed voor de aankoop van de boerderij en dat er geen sprake is van een constructie waarbij de boerderij in Denemarken geheel is beleend en de opbrengst van [A] vervolgens geheel of gedeeltelijk voor andere doeleinden is gebruikt.
uitgangspuntdat zij in het processuele debat moeten worden betrokken, gezien de herstelfunctie van het appel [37] .
geenuitzondering op de “in beginsel strakke regel” rechtvaardigt.
1 maart 2010heeft [verweerder] de boerderijen in Denemarken gekocht (vgl. hiervoor onder 1.31) en de brief van Vermeij dateert van
17 februari 2012. Hoewel de brief van Vermeij dateert van na antwoord/grieven incidenteel van
31 januari 2012, zijn daarin
geen feitenaan de orde die zich
pas na die memoriehebben voorgedaan. Met de aankoop van de boerderijen
in 2010zijn immers door [verweerder] hypothecair verbonden leningen aangegaan. Het door [eisers] bij antwoordakte aangevoerde nieuwe element lag niet in het verlengde van de door partijen omlijnde rechtsstrijd in hoger beroep en [verweerder] kon hierop ook niet meer reageren. Ook maakte het nieuwe element (mogelijk) een nader onderzoek noodzakelijk waarvoor het geding geen gelegenheid meer bood [38] . Het hof heeft dan ook terecht het door [eisers] aangevoerde element wegens strijd met de goede procesorde buiten behandeling gelaten. Onderdeel 2.9 faalt.
onderdeel 2.11. Het louter voortbouwende
onderdeel 2.12deelt dan in dat lot.
onderdeel 2.13gaat ook niet op. Het ligt in de eerste plaats in het verlengde van het voorgaande: volgens het hof mocht er meer geleend worden dan “strikt noodzakelijk” voor de aankoop. Bovendien is het een gekunstelde redenering: nu het hof heeft overwogen dat is voldaan aan lid 7 van de meerwaardeclausule doordat de overwaarde van [A] volledig is geïnvesteerd in een agrarisch bedrijf in Denemarken, bestond er voor het hof geen aanleiding om zich nog af te vragen wat onder “vervreemding” in lid 3 van de meerwaardeclausule wordt verstaan. Of [verweerder] meer heeft geleend dan nodig was voor de aankoop van de vervangende agrarische registergoederen en/of andere doeleinden, doet dan immers niet ter zake.