ECLI:NL:PHR:2014:535
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor vennootschapsbelasting na aandelenverkoop en herinvesteringsreserve
Belanghebbende was tot eind 2004 enig bestuurder en aandeelhouder van [A] B.V., die in 2002 onroerende zaken verkocht en een herinvesteringsreserve vormde. In december 2004 sloot [A] B.V. een koopovereenkomst voor een bedrijfsruimte die nooit werd geleverd. Op 31 december 2004 verkocht belanghebbende zijn aandelen aan [B] B.V., die later failliet ging. De Inspecteur stelde belanghebbende aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting 2004 op grond van artikel 40 Invorderingswet Pro 1990.
De rechtbank en het hof bevestigden de aansprakelijkheid, waarbij het hof oordeelde dat de rekening-courantvordering op belanghebbende als belegging moest worden aangemerkt en dat het vermogen van de BV anders dan door normale bedrijfsvoering was verminderd. Het hof verwierp ook het beroep op disculpatie omdat belanghebbende onvoldoende zorgplicht had betracht bij de verkoop en onvoldoende onderzoek had gedaan naar de kredietwaardigheid van [B] B.V.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat de vordering op hem geen belegging was, dat het hof een te strenge due diligence eis hanteerde voor disculpatie, en dat de herinvesteringsreserve niet in 2004 maar pas in 2005 vrijviel. De conclusie van de A-G is dat de middelen falen en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkheid voor de vennootschapsbelasting 2004 blijft gehandhaafd.