ECLI:NL:GHAMS:2013:2029
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid voor vennootschapsbelasting op grond van artikel 40 Invorderingswet 1990
Belanghebbende werd aansprakelijk gesteld voor een aanslag vennootschapsbelasting 2004 van [C] B.V. wegens het niet voldoen van de belasting. De rechtbank had de aansprakelijkstelling verminderd, maar bevestigd. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het Hof stelde vast dat de BV haar onderneming in 2000 had verkocht en dat de bezittingen in belangrijke mate uit beleggingen bestonden, waaronder een lening aan belanghebbende zelf. Deze lening werd als belegging aangemerkt, waardoor artikel 40 Invorderingswet Pro 1990 van toepassing is. De herinvesteringsreserve (hir) was vrijgevallen in 2004, omdat de vermeende herinvestering niet reëel was.
Belanghebbende voerde een beroep op de disculpatiegrond in artikel 40 lid Pro 6, maar het Hof oordeelde dat hij zich onvoldoende van zijn zorgplicht had gekweten. Hij had geen onderzoek gedaan naar de kredietwaardigheid van de koper en had geen zekerheid gesteld. De vrijwaring die hij had bedongen bood geen bescherming tegen aansprakelijkheid.
Ook de klachten over de handelwijze van de ontvanger en het ontbreken van stukken werden verworpen. De aansprakelijkstelling werd bevestigd op € 97.806, verminderd met heffings- en invorderingsrente en verliesverrekening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor vennootschapsbelasting 2004 en wijst het beroep op disculpatie af.