De verdachte werd door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor belaging en meermalen gepleegde mishandeling, waaronder een incident in januari 2009 waarbij hij zijn ex-echtgenote, terwijl zij zwanger was, tegen haar buik zou hebben gestompt. Namens de verdachte werd cassatie ingesteld met het middel dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende had gemotiveerd, omdat deze uitsluitend steunde op de verklaring van één getuige en tegenstrijdige bewijsmiddelen bevatte.
De Hoge Raad overweegt dat het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv vereist dat een bewezenverklaring niet uitsluitend mag steunen op de verklaring van één getuige zonder voldoende steunbewijs. In deze zaak vond het hof de verklaring van de aangeefster geloofwaardig, mede gesteund door een verklaring van een buurman, maar deze steun werd door de Hoge Raad onvoldoende geacht omdat de verklaring van de buurman voornamelijk bestond uit een weergave van wat de aangeefster had gezegd en diens waarneming van haar emotionele toestand, wat onvoldoende objectieve steun biedt.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de mishandeling in januari 2009 plaatsvond te Oosterhout of te Weert, aangezien de bewijsmiddelen geen plaatsaanduiding bevatten. De Hoge Raad wijst erop dat het bewijsminimum ook geldt voor afzonderlijke incidenten die als één feit zijn ten laste gelegd, en dat het bewijs voor de mishandeling in januari 2009 ontoereikend is.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de bewezenverklaring en de strafoplegging met betrekking tot de mishandeling in januari 2009 en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.