ECLI:NL:PHR:2014:309

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2014
Publicatiedatum
22 april 2014
Zaaknummer
12/04225
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring mishandeling wegens onvoldoende steunbewijs

De verdachte werd door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor belaging en meermalen gepleegde mishandeling, waaronder een incident in januari 2009 waarbij hij zijn ex-echtgenote, terwijl zij zwanger was, tegen haar buik zou hebben gestompt. Namens de verdachte werd cassatie ingesteld met het middel dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende had gemotiveerd, omdat deze uitsluitend steunde op de verklaring van één getuige en tegenstrijdige bewijsmiddelen bevatte.

De Hoge Raad overweegt dat het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv vereist dat een bewezenverklaring niet uitsluitend mag steunen op de verklaring van één getuige zonder voldoende steunbewijs. In deze zaak vond het hof de verklaring van de aangeefster geloofwaardig, mede gesteund door een verklaring van een buurman, maar deze steun werd door de Hoge Raad onvoldoende geacht omdat de verklaring van de buurman voornamelijk bestond uit een weergave van wat de aangeefster had gezegd en diens waarneming van haar emotionele toestand, wat onvoldoende objectieve steun biedt.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de mishandeling in januari 2009 plaatsvond te Oosterhout of te Weert, aangezien de bewijsmiddelen geen plaatsaanduiding bevatten. De Hoge Raad wijst erop dat het bewijsminimum ook geldt voor afzonderlijke incidenten die als één feit zijn ten laste gelegd, en dat het bewijs voor de mishandeling in januari 2009 ontoereikend is.

De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de bewezenverklaring en de strafoplegging met betrekking tot de mishandeling in januari 2009 en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bewezenverklaring en strafoplegging voor de mishandeling in januari 2009 en verwijst de zaak terug naar het hof.

Conclusie

Nr. 12/04225
Zitting: 4 maart 2014
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 juli 2012 de verdachte wegens 1. “belaging” en 2. “mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, en met teruggave van een in beslag genomen voorwerp, zoals in het arrest omschreven.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 2, voor zover deze betrekking heeft op het incident van januari 2009, ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof dat onderdeel van de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige en gebruik heeft gemaakt van tegenstrijdige bewijsmiddelen. Voorts kan volgens de steller van het middel uit het gebezigde bewijs geen pleegplaats blijken.
4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 augustus 2009 te Oosterhout of te Weert, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),
- in de maand januari 2009- tegen haar buik heeft gestompt (dit terwijl zij zwanger was) en
- in de maand augustus 2009- (met kracht) aan haar arm(en) en pols(en) heeft vastgepakt en (vervolgens) naar buiten heeft gesleurd en vervolgens (met kracht) op een stoel heeft gezet,
waardoor [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”
5. Het middel is gericht tegen deze bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte in de maand januari 2009 te Oosterhout of te Weert [slachtoffer] tegen haar buik heeft geschopt, terwijl zij zwanger was, waardoor zij pijn heeft ondervonden.
6. Dit onderdeel van de bewezenverklaring van feit 2 steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(1) Een bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer] (de ex-echtgenote van de verdachte), voor zover inhoudende:
“In januari 2009 toen ik zwanger was van ons tweede kind heeft [verdachte] mij een keer hard in mijn buik gestompt. (…) Ik heb toen wel pijn gevoeld.”
(2) Een bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (de buurman van [slachtoffer]), voor zover inhoudende:
“Een keer kwam [slachtoffer] [aangeefster [slachtoffer]; hof] huilend aan de voordeur: “Hij gaat weer door het lint, hij heeft mij in mijn buik geschopt!” Dit was toen zij zwanger was van [betrokkene 2]. Ik deed de deur open en zag dat [slachtoffer] verkrampt aan de voordeur stond met haar handen op haar buik.”
7. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe met betrekking tot de ten laste gelegde mishandeling in januari 2009 aangevoerd dat de verdachte zijn ex-echtgenote ([slachtoffer]) in 2004 eenmaal heeft mishandeld maar daarna niet meer. Voorts heeft de verdachte op die terechtzitting dienaangaande het volgende verklaard. Hij ontkent dat hij zijn ex-echtgenote in januari 2009 heeft mishandeld door haar tegen haar buik te stompen, terwijl zij in verwachting was van hun tweede kind. Hij heeft haar ooit een keer tegen haar schouder gestompt maar dat is in 2004 gebeurd, zodat hij zeker weet dat hij haar in januari 2009 niet in haar buik heeft gestompt. Bovendien komt de verklaring van zijn ex-echtgenote niet overeen met de verklaring van [betrokkene 1], aangezien [betrokkene 1] heeft verklaard dat zijn ex-echtgenote ten tijde van de mishandeling vier tot vijf maanden zwanger was van hun dochter [betrokkene 2], terwijl zijn ex-echtgenote heeft verklaard dat de mishandeling in januari 2009 heeft plaatsgevonden en [betrokkene 2] in september 2009 is geboren. Ten slotte heeft hij zijn ex-echtgenote nooit geslagen of geschopt.
8. Het hof heeft in reactie op dit verweer de relevante onderdelen van de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] weergegeven en vervolgens het volgende overwogen:
“Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de getuige [betrokkene 1] zich kennelijk vergist omtrent het tijdstip waarop de mishandeling door verdachte zou hebben plaatsgevonden nog niet met zich meebrengt dat zijn verklaring ook op overige punten onjuist is.
Op grond van het vorenstaande acht het hof de verklaring van [slachtoffer], voor zover tot bewijs gebezigd, geloofwaardig en overtuigend. Om die reden heeft het hof dan ook, anders dan de verdediging, geen twijfel bij het deel van de tenlastelegging, waarin aan verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] in de maand januari 2009 tegen haar buik heeft gestompt, terwijl zij zwanger was.”
9. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv Pro kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de bewezenverklaring als geheel en vereist niet dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. Voorts strekt de bepaling ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. [1] In dit verband bestaat een zekere samenhang tussen het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv en de motiveringsvoorschriften. Zowel de bewijsminimumvoorschriften als de motiveringsverplichtingen vragen van de rechter een zekere objectivering: de bewezenverklaring dient niet uitsluitend voort te komen uit diens subjectieve overtuiging, maar moet zijn gegrond op (verschillende) bewijsmiddelen die de overtuiging objectief kunnen onderbouwen. [2] Daarbij geldt voor het bewijsminimumvoorschrift dat de bewezenverklaring in de kern niet slechts mag worden gebaseerd op één bron. Die beperking heeft ook gevolgen voor de aard van het bewijsmateriaal dat steun kan geven aan de verklaring van de getuige. Als het aanvullend bewijsmateriaal in het bijzonder is aan te merken als een onderbouwing van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever, geeft deze daaraan in het licht van art. 342, tweede lid, Sv onvoldoende steun. [3] Dat geldt bijvoorbeeld als het aanvullend bewijs bestaat uit een ‘de auditu’-verklaring, inhoudende een weergave van wat de ‘bron’ aan de betrokken getuige heeft verteld. In die lijn ligt ook dat een bewijsmiddel waarbij enkel verslag wordt gedaan van de emotionele toestand waarin de aangever of aangeefster zich bevond na het delict of na de confrontatie met de verdachte evenmin toereikend is als steunbewijs. [4] Veelal zal sprake zijn van een combinatie van beide: de aangever of aangeefster vertelt zijn of haar verhaal over wat de verdachte zou hebben gedaan op emotionele wijze. Ook in die situatie is het bewijsmateriaal slechts te herleiden tot één bron, verbaal dan wel non-verbaal. [5]
10. Hoewel het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv alleen betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel moet, zoals de steller van het middel terecht opmerkt, worden aangenomen dat dit bewijsminimum ook geldt voor een geval als het onderhavige, waarin een qua tijd en plaats afzonderlijk incident samen met een ander incident als één feit ten laste is gelegd. Het gaat hier immers om een onderdeel van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven; in de kern gaat het om twee afzonderlijk ten laste gelegde mishandelingen. Dat volgt ook uit de kwalificatie als “mishandeling, meermalen gepleegd”. Daarin verschilt de situatie bijvoorbeeld van die waarin een aantal incidenten tezamen worden ten laste gelegd als (één) belaging in de zin van art. 285b Sr. Dit betekent dat voor beide, onder 2 ten laste gelegde mishandelingen moet zijn voldaan aan het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv. Het bewijs dat de verdachte [slachtoffer] in januari 2009 heeft mishandeld kan dus niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Een andere opvatting zou met zich brengen dat het openbaar ministerie deze bewijsminimumregel eenvoudig kan omzeilen door verschillende op zichzelf staande, doch gelijksoortige incidenten als één feit (meermalen gepleegd) ten laste te leggen.
11. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verklaring van de aangeefster [slachtoffer] voldoende steun vindt in ander gebezigd bewijsmateriaal, te weten de verklaring van [betrokkene 1]. Dit oordeel is naar mijn mening niet zonder meer begrijpelijk. Naast de verklaring van [slachtoffer] (bewijsmiddel 1) heeft het hof voor het bewijs van dit feit slechts gebruik gemaakt van de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2). De voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] bevat enkel een zeer korte weergave van hetgeen [slachtoffer] kort na het mogelijke feit tegen [betrokkene 1] heeft verklaard over wat haar was overkomen (“Hij gaat weer door het lint, hij heeft mij in mijn buik geschopt!”) en de waarneming van [betrokkene 1] dat [slachtoffer] huilend en verkrampt aan zijn voordeur stond met haar handen op haar buik. Hierbij gaat het om een combinatie van verbale en non-verbale uitingen van de aangeefster, zoals hiervoor onder 9 bedoeld. Hetgeen de aangeefster zou zijn overkomen, is daarmee uitsluitend te herleiden tot de aangeefster als bron. De omstandigheid dat [betrokkene 1] zelf heeft waargenomen dat de aangeefster “verkrampt aan de voordeur stond met haar handen op de buik” maakt dat niet anders, waarbij ik nog opmerk dat de term “verkrampt” voor meer dan één uitleg vatbaar is. Deze kan zowel duiden op een fysieke als op een psychische gesteldheid. [6]
12. Hiervoor is opgemerkt dat bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. In dit verband heeft het hof in zijn hiervoor onder 8 weergegeven nadere bewijsoverweging toegelicht waarom het de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar acht. Deze bewijsoverweging is niet expliciet gericht op het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv en ontbeert naar mijn mening ten aanzien van de vraag of aan het bewijsminimumvoorschrift is voldaan toegevoegde waarde. [7]
13. Gelet op het voorafgaande geeft de verklaring van [betrokkene 1], mede in het licht bezien van de nadere bewijsoverweging van het hof, onvoldoende steun aan de verklaring van [slachtoffer]. Derhalve is de bewezenverklaring van feit 2, voor zover betrekking hebbende op de mishandeling van januari 2009, ontoereikend gemotiveerd en kan de klacht over de tegenstrijdigheid van de bewijsmiddelen verder buiten bespreking blijven. [8]
14. Zoals de steller van het middel terecht aanvoert, kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen evenmin worden afgeleid dat de onder 2 ten laste gelegde in januari 2009 gepleegde mishandeling te ”Oosterhout of te Weert” heeft plaatsgevonden. De bewijsmiddelen die zien op het bewezen verklaarde feit in januari 2009 bevatten geen enkele plaatsaanduiding. Ook in dit opzicht is de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen omkleed.
15. Ik heb me nog afgevraagd of de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf zou kunnen afdoen door de bewezenverklaring verbeterd te lezen, in die zin dat het desbetreffende onderdeel van de bewezenverklaring van feit 2 daaruit kan worden weggestreept, zodat wat dit feit betreft enkel de in de maand augustus 2009 in Weert gepleegde mishandeling resteert. Die bewezenverklaring is in cassatie niet bestreden. Een dergelijke verbeterde lezing voert naar mijn mening in het onderhavige geval echter te ver, aangezien niet kan worden gezegd dat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit met ’een dergelijke verbeterde lezing niet worden aangetast. Het weg te strepen onderdeel van de bewezenverklaring (het in de buik stompen van een zwangere vrouw) is immers niet minder ernstig dan het incident dat resteert (het aan de armen vastpakken, naar buiten sleuren en op een stoel zetten van de aangeefster). Voorts gaat het om twee zelfstandige strafrechtelijke verwijten. Het hof heeft feit 2 dan ook gekwalificeerd als “mishandeling,
meermalen gepleegd”. Deze omstandigheden staan aan een verbeterde lezing in de weg.
16. Naar mijn mening kan de terugwijzingsopdracht worden beperkt tot de mishandeling van januari 2009, aangezien het - zoals gezegd - gaat om een onderdeel van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven en de bewezen verklaarde mishandeling in de maand augustus 2009 in cassatie niet is bestreden. [9]
17. Het middel slaagt.
18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, voor zover inhoudende dat de verdachte in de maand januari 2009 te Oosterhout of te Weert [slachtoffer] tegen haar buik heeft geschopt, terwijl zij zwanger was, waardoor zij pijn heeft ondervonden, en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, rov. 3.3, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150,
2.Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746,
3.Zie bijv. HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2365, HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452,
4.Vgl. HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5721, HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7413 en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890,
5.Zie in dit verband nader: M.J. Borgers, ‘De toepassing van de bewijsminimumregel’, DD 2012, 82 en mijn bijdrage ‘Bewijsminima: een nieuwe invulling?’ in Levend strafrecht, Deventer 2011.
6.Zie de definitie van Van Dale, Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 14e editie, waar onder verkrampt zowel “in of door kramp vertrokken, verwrongen” als “psychisch zeer gespannen” wordt verstaan.
7.Daarbij merk ik terzijde nog op dat niet alleen het tijdstip waarop de mishandeling zou hebben plaatsgevonden in de verklaringen van Oomen en Adriaansen afwijkt, maar dat Adriaansen het heeft over schoppen, terwijl Oomen verklaarde over stompen.
8.Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890,
9.Vgl. de jurisprudentie van de Hoge Raad betreffende toelaatbare beperkingen van het cassatieberoep: HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:197, rov. 2 en HR 31 mei 2013 ECLI:NJ:HR:2013:CA1610, rov. 2.