Conclusie
“Het door de AIVD verrichte inlichtingenonderzoek
eerste middelklaagt dat art. 6, 8 en 10 van het EVRM zijn geschonden doordat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, subsidiair bewijsuitsluiting heeft verworpen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
Without such protection, sources may be deterred from assisting the press in informing the public on matters of public interest.[onderstreping AG] As a result the vital public-watchdog role of the press may be undermined and the ability of the press to provide accurate and reliable information may be adversely affected.
Having regard to the importance of the protection of journalistic sources for press freedom in a democratic society and the potentially chilling effect an order of source disclosure has on the exercise of that freedom [onderstreping AG], such a measure cannot be compatible with Article 10 of the Convention unless it is justified by an overriding requirement in the public interest (see
Goodwin, cited above, § 39;
Voskuil, cited above, § 65;
Financial Times Ltd. and Others, cited above, § 59; and
Sanoma, cited above, § 51).”
The distinction lies in that the latter protection is twofold, relating not only to the journalist, but also and in particular to the “source” who volunteers to assist the press in informing the public about matters of public interest[onderstreping AG] (see
Nordisk Film, cited above).
Ravagewas to don the veil of anonymity with a view to evading his own criminal accountability.
For this reason, the Court takes the view that he was not, in principle, entitled to the same protection as the “sources” in cases[onderstreping AG] like
Goodwin,
Roemen and Schmit,
Ernst and Others,
Voskuil,
Tillack,
Financial Times,
Sanoma, and
Telegraaf.”
uitsluitendstrekt tot bescherming van de belangen van de journalist zijn bron niet prijs te geven. Art. 10 EVRM Pro beoogt ook in voorkomende gevallen bescherming te bieden aan de bron zelf, teneinde deze niet af te schrikken de pers te ondersteunen in zijn democratisch belangrijke taak informatie van publiek belang te publiceren, al moet worden toegegeven dat uit deze overwegingen niet kan worden afgeleid waaruit deze bescherming dan zou moeten bestaan. Een dergelijke vraag is naar mijn weten nog niet aan het EHRM voorgelegd.
carte blancheheeft gegeven voor gelijksoortig optreden in de toekomst. Zoals het hof terecht heeft overwogen is de toetsing van het optreden van de AIVD de taak van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en blijkt uit onderhavige zaak dat deze het optreden van de AIVD heeft onderzocht en jegens de journalisten onrechtmatig heeft geacht, waardoor strafrechtelijke vervolging van deze journalisten is uitgebleven. Ook al is in de Telegraaf-zaak door het EHRM uitgemaakt dat een dergelijke toetsing achteraf onvoldoende waarborg is en dat er sprake zou moeten zijn van een rechterlijke toetsing vooraf, kan naar mijn oordeel niet gesteld worden dat het journalistiek bronbeschermingsrecht “goeddeels illusoir” zou worden als het bewijs in onderhavige zaak niet zou worden uitgesloten of dat de verdachten geen eerlijk proces hebben gekregen doordat het hof het bewijs dat is verkregen als gevolg van het tappen van journalisten toelaatbaar heeft geacht in de strafzaken tegen verdachte en [medeverdachte].
tweede middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen ontoereikend heeft gemotiveerd. Aangevoerd wordt dat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat medeverdachte [medeverdachte] op enig moment staatsgeheime informatie met verdachte heeft gedeeld, laat staan dat verdachte nauw en bewust met [medeverdachte] heeft samengewerkt ten aanzien van het verstrekken van die informatie aan journaliste Van der Graaf. Het oordeel van het hof dat verdachte als medepleger moet worden beschouwd is temeer onbegrijpelijk, nu het hof heeft overwogen dat de informatie “al dan niet door tussenkomst van verdachte” is gelekt. Hierdoor heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat helemaal geen sprake is geweest van enige betrokkenheid van verdachte bij het verstrekken van de informatie.
06-[002] in gebruik bij [verdachte]
Gebeld nummer: 06-[001]
[verdachte]: Goedemorgen Jolande met [verdachte]
Jolande: Ja dat is het absoluut.
[verdachte]: Enne, uhm, en misschien 's even een keertje af te spreken.
Jolande: Ja ik vind het best joh.
Jolande: Ja! Vind ik prima.
Jolande: Ja, prima.
(p. 22 e.v. van zaaksdossier II - Dalai Lama):
Subject 2: [verdachte]
Tijd: 17:57
[medeverdachte]: Oh.
V: Of ga je dan naar bed toe?
Nee, maar dan eh, ik heb vanavond een afspraak, dus daarom dacht ik; ik probeer het nu even.
H: Oké, anders probeer ik het, ik bel denk ik vanavond wel even tussendoor.
Gebelde NN vrouw: Ja, maar ik heb ook net bezoek, dus hou het heel kort.
Jolande: Ik werd gisteravond getipt dat er uhm, dreigementen zijn uhm, opgepikt in Nederland rond zijn bezoek.
Jolande: Uhm, dat moet ik over deze lijn in het midden laten.
DALAI LAMA BEDREIGD
06-[004] in gebruik bij [medeverdachte]
A: Dat is bijzonder, ik koop nooit een Telegraaf. Nee, daar sla ik niet op aan.
derde middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is op 3 maart 2013 ingesteld en de stukken van het geding zijn pas op 8 november 2013 door de Hoge Raad ontvangen.