Conclusie
2.Procesverloop
3.Inleiding
4.Bespreking van de klachten voor zover nog nodig
Onderdeel Iacht rechtens onjuist het oordeel dat onder fundamentele rechtsbeginselen niet zou kunnen worden gerekend het beginsel dat in het belang van de rechtseenheid en de rechtszekerheid in de rechtspraak voorkomen dient te worden dat tegenstrijdige beslissingen worden genomen. Zulks zou immers één van de basisbeginselen van de (cassatie-)rechtspraak zijn, zoals ook door ARS in het beroepschrift is aangegeven.
onderdeel IIheeft het Hof “althans miskend” dat sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen indien aan een verzoek van de werknemer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning van een vergoeding als bedoeld in lid 8 van artikel 7:685 BW Pro hetzelfde feitenrelaas (en dan met name een reeks van verwijten aan het adres van de werkgever) ten grondslag wordt gelegd als reeds in de eerder door de werknemer begonnen rolprocedure, terwijl dat feitenrelaas in die rolprocedure door de werkgever uitdrukkelijk is betwist en derhalve rechtens niet (zonder meer) als vaststaand kan worden aangenomen, als gevolg waarvan tegenstrijdige uitspraken in die ontbindings- en rolprocedure
zouden kunnenontstaan. Uit het verzoek- en het verweerschrift in prima blijkt dat tussen partijen, naast de onderhavige ontbindingsprocedure, een rolprocedure bij de Rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Den Haag (onder zaaknummer 1106707/11-28748) aanhangig is. Aan de vordering in laatst genoemde procedure is door [verweerder] als eiser (in overwegende mate) hetzelfde feitenrelaas ten grondslag gelegd als in onderhavige ontbindingsprocedure. ARS heeft hierop in haar conclusie van antwoord gereageerd; zij heeft het door [verweerder] gestelde uitdrukkelijk betwist, waarvoor onder meer wordt verwezen naar hetgeen is verwoord in die conclusie onder 2.16, 3.9, 3.15 en 3.18 (disfunctioneren en terugtreden uit de directeursfunctie), 3.43 e.v. (winstdelingsregeling), nogmaals 3.43 (consulting is een onzelfstandig bedrijfsonderdeel van ARS), 3.47, 3.48, 3.50, 3.53, 3.55 en 3.60 (functioneren van [verweerder] in periode vanaf 2007), 3.49, 3.51 (afgifte jaarstukken), 3.54 en 3.56 (resultaten consulting). Volgens ARS
kan niet worden uitgeslotendat hetgeen [verweerder] in die rolprocedure aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd, op basis van hetgeen ARS daartegen heeft aangevoerd en zo mogelijk na geleverd bewijs wordt aangetoond, zal worden verworpen. Doordat de Kantonrechter dat (uitdrukkelijk betwiste) feitenrelaas desondanks aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, bestaat daardoor de
gerede kans, dat aldus tegenstrijdige uitspraken in de onderhavige zaak worden gedaan, hetgeen wel degelijk (althans onder voornoemde omstandigheden) een schending van fundamentele rechtsbeginselen zou opleveren.
onderdeel IIIhet (door ARS uitdrukkelijk betwiste) feitenrelaas, dat [verweerder] (evenals in de rolprocedure) aan het onderhavige verzoek ten grondslag heeft gelegd, moeten onderzoeken en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling integraal dienen te behandelen en niet zonder meer aan haar beslissing ten grondslag mogen leggen zonder een bewijsopdracht aan een van partijen ter zake. ARS acht
juistdat in beginsel in een procedure ex artikel 7:685 BW Pro zonder verdere instructie, zoals een getuigenverhoor of deskundigenbericht, op het verzoek kan worden beslist en dat bewijsaanbiedingen mogen worden gepasseerd. Dat behoort echter anders te zijn in een situatie als de onderhavige, waarin aan het verzoek (deels) hetzelfde feitenrelaas ten grondslag is gelegd als in een reeds lopende rolprocedure, waarin dat feitenrelaas expliciet wordt betwist. Daarmee zou immers ook de geldende regelgeving van het bewijsrecht (artikel 149 e.v. Rv.) kunnen worden omzeild, hetgeen een schending van fundamentele rechtsbeginselen oplevert, aldus nog steeds ARS.
rechtseenheid” zijn ze onbegrijpelijk omdat deze door eventuele tegenstrijdige uitspraken van de feitenrechter over feitelijke kwesties niet in geding is.