ECLI:NL:HR:2002:AD7358
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- A.G. Pos
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over loonvordering en reïntegratieverplichting bij ontbinding arbeidsovereenkomst
Eiser trad in 1977 in dienst bij PTT en werd in december 1991 volledig arbeidsongeschikt door rugklachten. Vanaf 1994 ontving hij een gedeeltelijke WAO-uitkering en een WW-uitkering. PTT heeft meerdere malen ontslagvergunningen aangevraagd die werden geweigerd vanwege onvoldoende aannemelijkheid van herplaatsingsmogelijkheden. Na mislukte pogingen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst vroeg PTT in 1997 ontbinding aan, welke door de kantonrechter werd toegewezen met een vergoeding van ƒ 113.000,-- bruto, waarbij rekening werd gehouden met het tekortschieten van PTT in de reïntegratieverplichting.
Eiser vorderde vervolgens loonbetaling over de periode 1994 tot 1997, welke vordering door de kantonrechter en rechtbank werd afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat de toekenning van een ontbindingsvergoeding op grond van art. 7:685 BW Pro niet uitsluit dat eiser in een aparte procedure loon kan vorderen dat hem onterecht is onthouden. De vergoeding betreft immers niet aanspraken die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking en niet direct verband houden met de beëindiging.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling van de loonvordering. Tevens veroordeelt de Hoge Raad PTT in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vonnis en verwijst zaak naar gerechtshof voor beoordeling loonvordering naast ontbindingsvergoeding.