ECLI:NL:PHR:2014:2268
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over wettelijke grondslag en terugwerkende kracht van legesheffing Nederlandse identiteitskaart
Belanghebbende diende op 29 september 2011 een aanvraag in voor een Nederlandse identiteitskaart bij de gemeente Roermond, waarna leges van €43,75 werden geheven. Na een arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 bleek dat de Gemeentewet geen wettelijke grondslag bood voor deze heffing, waarna de Reparatiewet werd ingevoerd om dit te repareren met terugwerkende kracht. Het Hof oordeelde dat de terugwerkende kracht niet in strijd was met het EVRM, maar dat de Legesverordening 2011 niet tijdig was aangepast en daardoor geen geldige grondslag bood, waardoor de aanslag werd vernietigd.
Het College van B&W stelde in cassatie dat het Hof de Reparatiewet onjuist had uitgelegd, omdat deze wet een zelfstandige wettelijke grondslag bood zonder dat de Legesverordening hoefde te worden gewijzigd. Tevens stelde het College dat het Hof ten onrechte de Reparatiewet aan de Grondwet had getoetst, wat verboden is. Belanghebbende stelde incidenteel dat de opbrengstlimiet was overschreden en dat het oordeel over terugwerkende kracht onvoldoende was gemotiveerd.
De A-G concludeerde dat de Reparatiewet inderdaad een nieuwe wettelijke grondslag biedt, dat de Legesverordening 2011 zonder wijziging op deze wet berust, en dat het Hof onjuist heeft geoordeeld over de noodzaak van wijziging van de verordening. Ook is de terugwerkende kracht gerechtvaardigd en niet in strijd met het EVRM. Het incidentele beroep faalt omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn bewijslast. De conclusie is dat het beroep van het College gegrond is en het incidentele beroep ongegrond.
De zaak betreft complexe vragen over de verhouding tussen formele wetgeving en gemeentelijke verordeningen, de uitleg van de Reparatiewet, de toepassing van terugwerkende kracht, en het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro. De Hoge Raad bevestigt dat de bestaande Legesverordening voortaan berust op de Reparatiewet zonder dat wijziging vereist is, en dat de terugwerkende kracht toelaatbaar is gezien de omstandigheden en belangenafweging.
Uitkomst: Het beroep van het College wordt gegrond verklaard en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond, waardoor de heffing van leges op grond van de Reparatiewet rechtmatig is.