Belanghebbende had in 2008 vier bouwvergunningen aangevraagd en werd in 2010 geconfronteerd met legesheffingen door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert. Na bezwaar werden deze leges verminderd, maar belanghebbende stapte naar de rechter vanwege vermeende overschrijding van de opbrengstlimiet zoals bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet.
De Rechtbank verklaarde een deel van de beroepen gegrond en het Hof vernietigde de uitspraken van de heffingsambtenaar en de legesnota’s. Het College stelde cassatie in tegen het arrest van het Hof. De kern van het geschil betrof de vraag of het Hof ten onrechte het bewijsaanbod van de heffingsambtenaar had afgewezen en of de stelplicht en bewijslast correct waren toegepast.
De Hoge Raad benadrukte dat de bewijslast voor het aantonen van overschrijding van de opbrengstlimiet bij belanghebbende ligt, maar dat de heffingsambtenaar niet verplicht is om van alle diensten afzonderlijk controleerbare kostenramingen te verstrekken. Het Hof had het bewijsaanbod onterecht afgewezen en onvoldoende gemotiveerd waarom nadere inlichtingen niet waren toegestaan.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van de juiste rechtsregels. De Hoge Raad acht geen reden voor proceskostenveroordeling.