Conclusie
regional Court Judge, Head of the 3rd Penal Division of Regional Court in Szczecin(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, geweigerd. De overlevering werd verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een door de Poolse rechter opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en twee maanden. De straf was opgelegd ter zake van de volgende feiten, kortgezegd: 1. het verkopen van één gram amfetamine; 2. het vervoeren en doorverkopen van 101,870 gram marihuana; 3. het samen met (een) ander(en) aanwezig hebben van 11 gram en 1,8 gram marihuana.
Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak leg ik hierbij over, alsmede het procesdossier.
LJNBZ9849 en Rb. Amsterdam 17 mei 2013,
LJNCA0291.
kanspelen bij de vraag of Nederland rechtsmacht heeft over een door een vreemdeling begaan strafbaar feit, maar dat het antwoord op die vraag vrijwel altijd afhankelijk is van de pleegplaats. De wetgever heeft bewust ervoor gekozen om de rechtsmacht over vreemdelingen beperkt te implementeren. Die keuze beïnvloedt de vraag of Nederland iemand kan vervolgen. De wetgever bepaalt of Nederland rechtsmacht heeft. Indien hij de artikelen 5 en 5a Sr aanpast, heeft dat mogelijk gevolgen voor de reikwijdte van artikel 6, vijfde lid, OLW, maar niet andersom.
Trb. 1983, 74), of op basis van een ander toepasselijk verdrag".
LJNAZ7032).
PbEG2002, L 190, blz. 1; hierna Kaderbesluit EAB). Op grond van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit EAB mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een EAB weigeren, indien “het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen”. Deze bepaling strekt er met name toe “de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen een bijzonder gewicht te hechten aan de mogelijkheid de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen” (HvJ EG 17 juli 2008,
NJ2008, 586 (Kozłowski), r.o. 45; HvJ EG 6 oktober 2009,
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 67; HvJ EU 21 oktober 2010, zaak C-306/09 (I.B.), r.o. 52; HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 32).
LJNBK5504).
LJNBK9119).
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 61-62; HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 33-34). De rechtsmachtvoorwaarde levert zo een beperking op en is daarom als zodanig niet in strijd met artikel 4, punt 6, Kaderbesluit EAB. Dat laat evenwel onverlet dat de lidstaten bij de implementatie van deze bepaling artikel 18 VWEU Pro moeten naleven (HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 39).
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 46).
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 47).
LJNBJ1772).
LJNAZ7032; Rb. Amsterdam 3 juli 2009,
LJNBJ1772).
LJNBJ1772 en BJ1773).
alleentoe, indien de uitvoerende lidstaat zich ertoe verbindt de opgelegde vrijheidssanctie overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen. Artikel 6, tweede lid, OLW verplicht evenwel tot weigering van de executieoverlevering, terwijl artikel 6, derde lid, OLW in geval van weigering op grond van het tweede lid niet een verbintenis, maar
slechts een bereidverklaringtot overname van de tenuitvoerlegging overeenkomstig een verdrag voorschrijft.
overeenkomstigartikel 4, punt 6, Kaderbesluit EAB wordt enerzijds recht gedaan aan het belang van de opgeëiste persoon bij verhoging van zijn kansen op sociale re-integratie in de uitvoerende lidstaat en anderzijds aan het belang van de uitvaardigende lidstaat bij de tenuitvoerlegging van een door zijn strafrechter opgelegde vrijheidsstraf. Bovendien zijn de verhoging van de kansen op sociale re-integratie en de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in het licht van de doelstelling van het Kaderbesluit EAB in het belang van alle lidstaten. De verbintenis tot tenuitvoerlegging is dus een
noodzakelijkeen, tegelijkertijd,
voldoendemaatregel tot voorkoming van straffeloosheid. In geval van een verbintenis tot tenuitvoerlegging heeft de uitvaardigende lidstaat dan ook geen redelijk motief om zijn medewerking aan de tenuitvoerlegging in de uitvoerende lidstaat te weigeren en brengt het beginsel van Unietrouw, zoals neergelegd in artikel 4, derde lid, VEU, juist mee dat hij daaraan wel meewerkt, voor zover nodig.
contra legem(zie bijv. Rb. Amsterdam 3 juli 2009,
LJNBJ1772).
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 67-68; HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 40). De officier van justitie heeft op dit punt niets aangevoerd. De rechtbank ziet niet in welke bijdrage het stellen van de rechtsmachtvoorwaarde kan leveren aan het verhogen van de kansen op sociale re-integratie van de betrokken vreemdeling. De aanwezigheid van Nederlandse rechtsmacht zegt immers niets over de voor sociale re-integratie relevante banden met Nederland, maar hangt af van de pleegplaats en/of de aard van het begane misdrijf. Het stellen van deze voorwaarde leidt er in tegendeel toe dat vreemdelingen die, gelet op hun band met Nederland, in aanmerking zouden kunnen komen voor sociale re-integratie in de Nederlandse maatschappij toch moeten worden overgeleverd om hun straf in de uitvaardigende lidstaat uit te zitten.
in abstractozou leiden. Zoals de officier van justitie terecht heeft aangevoerd, zou één en ander betekenen dat een opgeëiste persoon, die voldoet aan de eerste en derde voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW, niet zou mogen worden overgeleverd aan de uitvaardigende lidstaat ter tenuitvoerlegging van de hem opgelegde vrijheidsstraf en aldus straffeloos zou blijven. Voor zover tussen Nederland en de uitvaardigende lidstaat niet een verdrag van kracht is op grond waarvan Nederland de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf kan overnemen, zou de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde vrijheidsstraf niet in Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd. Indien geen sprake is van rechtsmacht, zouden de Nederlandse vervolgingsautoriteiten zo een opgeëiste persoon niet in Nederland kunnen vervolgen voor de feiten waarvoor hij in de uitvaardigende lidstaat is veroordeeld.
Kamerstukken II2012/13, 33 572, nr. 2). Wordt dit wetsvoorstel tot wet verheven, dan zullen vreemdelingen als de opgeëiste persoon in Nederland kunnen worden vervolgd voor strafbare feiten die zij in het buitenland hebben begaan en die in Nederland strafbaar zijn als misdrijven.
in abstractoin strijd is met het discriminatieverbod, maar of die voorwaarde
in het concrete, voorliggende gevalin strijd is met dat verbod.
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 69).
nietvoorkomt, zoals artikel 4, punt 6, Kaderbesluit EAB, de invoering van de rechtsmachtvoorwaarde Unierechtelijk
zonder meerzou zijn toegestaan. En omgekeerd betekent het buiten toepassing laten van de rechtsmachtvoorwaarde in de Nederlandse implementatie van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit EAB niet
zonder meerdat ook de rechtsmachtvoorwaarde in de Nederlandse implementatie van artikel 4, punt 4, Kaderbesluit EAB buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
alleentoe, indien de uitvoerende lidstaat zich ertoe verbindt de opgelegde vrijheidssanctie overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen. Artikel 6, tweede lid, OLW verplicht evenwel tot weigering van de executieoverlevering, terwijl artikel 6, derde lid, OLW in geval van weigering op grond van het tweede lid niet een verbintenis, maar
slechts een bereidverklaringtot overname van de tenuitvoerlegging overeenkomstig een verdrag voorschrijft.’
Het aanvankelijk voorgestelde artikel 7 Sr Pro luidt, voor zover van belang, als volgt: