Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen(België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
bevel tot aanhouding bij verstek van 29 januari 2013 uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen.
4.Strafbaarheid
5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
1.Vervolgings-EAB
2.Geen EU-burger
3.Ernst van het feit
contra legemen is in ieder geval niet kaderbesluitconform, nu het Kaderbesluit EAB een limitatieve opsomming van de weigeringsgronden bevat waarbij de ernst van de feiten reeds verdisconteerd is in het stelsel en daarbuiten geen ruimte wordt gelaten voor nadere beoordeling in individuele zaken.
PbEG2002, L 190, blz. 1; hierna Kaderbesluit EAB). Indien tegen een onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat een EAB is uitgevaardigd ten behoeve van strafvervolging, mag de overlevering op grond van artikel 5, punt 3, Kaderbesluit EAB afhankelijk worden gesteld van de garantie “dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat”. Deze bepaling strekt er met name toe “de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen een bijzonder gewicht te hechten aan de mogelijkheid de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen” (HvJ EU 21 oktober 2010, zaak C-306/09 (I.B.), r.o. 52; HvJ EU 28 juni 2012, zaak C-192/12 PPU (West), r.o. 70).
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 61-62; HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 33-34). De rechtsmachtvoorwaarde levert zo een beperking op en is daarom als zodanig niet in strijd met artikel 5, punt 3, Kaderbesluit EAB. Dit laat evenwel onverlet dat de lidstaten bij de implementatie van deze bepaling artikel 18 VWEU Pro moeten naleven (HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 39).
Kozłowski)
,r.o. 46: “De begrippen “ingezetene” (…) zijn dus respectievelijk van toepassing op situaties waarin de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, ofwel zijn werkelijke verblijfplaats in de uitvoerende lidstaat heeft gevestigd (…)”). In de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid die de Europese Unie beoogt te zijn, zou het ongerijmd zijn, dat het Unierecht in het kader van de justitiële samenwerking in strafzaken enerzijds zou machtigen tot het ingrijpen in de rechten van allen die zich op het grondgebied van de lidstaten bevinden, ongeacht hun nationaliteit, maar anderzijds een beroep op discriminatie met betrekking tot dat ingrijpen zou ontzeggen aan personen die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten.
LJNBJ1773).
LJNBJ1773).
LJNBJ1773). De rechtbank ziet thans echter aanleiding voor een nuancering voor dat oordeel. Daarvoor zijn de volgende overwegingen redengevend.
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 67-68; HvJ EU 5 september 2012, zaak C-42/11 (Lopes Da Silva Jorge), r.o. 40). De stelling van de officier van justitie dat in geval van vervolgingsoverlevering resocialisatie niet op een voorhand een rol speelt, valt niet te rijmen met het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat artikel 5, punt 3, Kaderbesluit EAB “met name” tot doel heeft de verhoging van de kansen op sociale re-integratie mogelijk te maken. Niet gesteld kan worden dat de rechtsmachtvoorwaarde een bijdrage levert aan dat doel. Het stellen van deze voorwaarde leidt er namelijk toe dat vreemdelingen die, gelet op hun band met Nederland, in aanmerking zouden kunnen komen voor sociale re-integratie in de Nederlandse maatschappij moeten worden overgeleverd zonder de garantie dat zij de aan hen eventueel opgelegde vrijheidsstraf in Nederland zullen mogen ondergaan.
NJ2009, 591 (Wolzenburg), r.o. 69).
zonder meerevenredig aan de nagestreefde doelstelling. In een dergelijk geval bestaat de mogelijkheid dat de rechtsmachtvoorwaarde verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstelling van het vermijden van straffeloosheid te bereiken, omdat niet vaststaat dat de opgeëiste persoon zonder het hanteren van de rechtsmachtvoorwaarde straffeloos zal blijven. Straffeloosheid blijft immers uit als een terugkeergarantie wordt verstrekt.
contra legemis, gaat eraan voorbij dat deze toets voortvloeit uit het Unierechtelijke discriminatieverbod, dat tot het primaire Unierecht behoort. Voor zover het nationale recht daarmee in strijd is, moet het opzij worden gezet. De stelling van de officier van justitie dat de evenredigheidstoets niet kaderbesluitconform is, miskent dat de evenredigheidstoets niet een nieuwe weigeringsgrond in het leven roept, maar beoogt te verzekeren dat de toepassing van de nationale implementatie van een door het Kaderbesluit EAB toegestane weigeringsgrond in een concreet geval in overeenstemming is met het Unierechtelijke discriminatieverbod.
procureur des Konings te Antwerpenheeft de volgende garantie gegeven:
7.Slotsom
8.Toepasselijke wetsartikelen
9.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan de
Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpenten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
.