Conclusie
eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1. primair, voor zover inhoudende dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, onvoldoende met redenen is omkleed.
Overwegingen
tweede middelklaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur van 21 mei 2010 opgegeven getuigen, zoals nader toegelicht bij brief van 23 maart 2011 en ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011, en de motivering daarvan.
- terzake feit 1: 39 personen, met vermelding van de initialen en achternaam en veelal geboortedatum en woonplaats;
- terzake feit 4: 12 personen, met vermelding van de initialen, achternaam en van 5 personen tevens de geboortedatum en woonplaats;
- 8 personen, met vermelding van initialen en achternaam en tevens beroep, maar zonder vermelding van geboortedatum en woonplaats.
Getuigen plaats delict / mogelijk verschillende scenario's
Omgevingsgetuigen
Overige getuigen en deskundigen
Zaak Eindhoven
derde middelklaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek om de personen [getuige 17], [getuige 18], [getuige 27], [getuige 28], [getuige 29] en [getuige 25] als getuige te horen.
- de getuige [getuige 18] heeft verklaard dat zij over een eventuele drugscarrière van het slachtoffer kan verklaren;
- de getuige [getuige 29] heeft duidelijk relevante informatie over het slachtoffer;
- de getuige [getuige 25] heeft verklaard over het functioneren van het slachtoffer, hij zou ruzie met de Antillianen hebben en heeft extra achtergrondinformatie;
- alle (getuigen) verzoeken worden gehandhaafd; en
- bij de beoordeling van het verzoek gaat het om het redelijkheidscriterium.
“Omgevingsgetuigen
vierde middelklaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van de in de appelschriftuur onder 11 opgegeven “getuigen plaats delict”, zoals nader toegelicht bij brief van de raadsman van de verdachte van 23 maart 2011 en tevens ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011, en de motivering van die afwijzing.
vijfde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd.
in casusprake is, op voorhand niet-ontvankelijk is, omdat deze vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Derhalve had het hof in onderhavige zaak de vordering niet-ontvankelijk moeten verklaren voor zover betrekking hebbende op de vergoeding van shockschade.
ambtshalvenoopten tot niet-ontvankelijkverklaring van het betreffende deel van de vordering. Het oordeel van het hof behoefde dan ook – ook in zoverre – geen nadere motivering. [14] Ten overvloede merk ik op dat zelfs indien de verdediging op de voet van art. 361, derde lid, (oud) Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv het verzoek had ingediend ertoe strekkende dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, en te bepalen dat het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, het hof noch op grond van art. 361 Sv Pro noch op grond van enige andere bepaling gehouden is dat oordeel nader te motiveren. [15]