Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend heeft gemotiveerd. Het
derdemiddel klaagt dat het Hof het namens verdachte ingenomen, uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] heeft verworpen zonder voldoende begrijpelijke motivering. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
derdemiddel ligt als het ware in het voorportaal van de bewijsklacht van het eerste middel. Dit derde middel klaagt immers dat het Hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van verdachte ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] heeft verworpen zonder voldoende begrijpelijke motivering. Het Hof heeft het bewijs van de wijze waarop de brandstichting door verdachte samen met medeverdachte is gepleegd grotendeels op de verklaringen van [medeverdachte] gebaseerd. Het Hof heeft daarbij - aldus de toelichting - niet of onvoldoende gerespondeerd op de door verdachte bij pleidooi [2] in hoger beroep naar voren gebrachte stellingen omtrent de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] met betrekking tot het klaarzetten van spullen in de garage en het geven van instructies door verdachte aangaande de wijze van uitvoering van de brandstichting; het oordeel van het Hof is, aldus het middel, te meer onbegrijpelijk nu het Hof onder F.1.1 zelf ook overweegt inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte] te hebben opgemerkt.
eerstemiddel nu klaagt, onder verwijzing naar HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:BZ9945, dat uit de bewijsmiddelen weliswaar de rol van verdachte bij de voorbereiding van het delict is af te leiden maar niet bij de uitvoering van het delict; daarom kan de voor medeplegen vereiste, dusdanige actieve betrokkenheid bij de planning en uitvoering van de brandstichting en de bewuste en nauwe samenwerking en gezamenlijke uitvoering niet bewezen worden verklaard. Deze op de eerste klacht in middel I voortbouwende klacht, dat op grond van het door het Hof gehanteerde bewijs geen medeplegen kan worden vastgesteld, slaagt evenmin; daartoe geldt het volgende.
tweedemiddel klaagt dat het Hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijkerwijs ten aanzien van verdachte handelen met voorbedachte raad bewezen heeft verklaard aangezien dit niet uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Daartoe voert het middel aan, dat hetgeen het Hof – conform recente jurisprudentie van de Hoge Raad, te beginnen met HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:BR2342 – met betrekking tot voorbedachte raad overweegt, ziet op medeverdachte [medeverdachte] en niet op verdachte. Nu het Hof – aldus de toelichting op het middel – vervolgens stelt dat verdachte na een laatste aanmoediging ‘gewoon is gaan slapen’ terwijl [medeverdachte] voorafgaande aan de uitvoering nog daadwerkelijk over betekenis en gevolgen van haar voorgenomen daad heeft nagedacht, kan ten aanzien van verdachte geen voorbedachte raad worden aangenomen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers, dat de beslissing om uiteindelijk tot uitvoering over te gaan door [medeverdachte] en niet door verdachte is genomen, zoals ook in het eerste middel aan de orde is gesteld; van een beraad door verdachte om uiteindelijk over te gaan tot brandstichting kan geen sprake zijn omdat hij geen aandeel heeft gehad in die uiteindelijke besluitvorming, aldus het middel.
vierdemiddel is gericht tegen de bewezenverklaring van het voorwaardelijk opzet bij verdachte, gericht op het van het leven beroven van [slachtoffer]. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte als feit van algemene bekendheid heeft aangenomen, dat het in de nacht stichten van brand bij een woning de aanmerkelijke kans op het overlijden van de in de woning aanwezige personen met zich brengt. Deze klacht stuit af op de begrijpelijkheid van met name rechtsoverwegingen F.3.3 – 3.5 waar het Hof uitgebreid gemotiveerd uiteen heeft gezet, dat nachtelijke brandstichting in een woning in het algemeen de aanmerkelijke kans op overlijden van bewoners meebrengt, en voorts dat de bewustheid van die aanmerkelijke kans uit de bewijsmiddelen volgt, met name uit de verklaringen die verdachte hieromtrent heeft afgelegd. Dit oordeel van het Hof is evenmin onbegrijpelijk; het vierde middel slaagt daarom niet.