De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, dat verdachte niet-ontvankelijk verklaarde in haar hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Verdachte was gedetineerd toen zij de uitspraak van de politierechter ontving en was niet geïnformeerd over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen via een schriftelijke verklaring aan de directeur van de inrichting (art. 451a Sv).
De verdediging voerde aan dat verdachte onervaren was, geen rechtsbijstand had en niet wist van de alternatieve wijze van hoger beroep instellen. Het hof oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren die de termijnoverschrijding konden verontschuldigen. De Hoge Raad herhaalt de criteria voor verontschuldigbare termijnoverschrijding en benadrukt dat het hof onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de informatieverstrekking binnen de inrichting en de inspanningen van verdachte.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling. Tevens worden klachten over de processen-verbaal van de terechtzitting verworpen wegens onvoldoende grondslag. De zaak benadrukt het belang van adequate informatie aan gedetineerden over hun beroepsmogelijkheden en de bijzondere zorgplicht van de overheid in dergelijke situaties.