ECLI:NL:PHR:2011:BU8319
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eenhoofdig gezag, omgangsregeling en kinderalimentatie na echtscheiding
De zaak betreft een echtscheiding tussen de vader en moeder, waarbij het gezag over drie minderjarige kinderen centraal staat. De rechtbank had de moeder het eenhoofdig gezag toegekend en kinderalimentatie vastgesteld, terwijl het verzoek van de vader tot omgangsregeling en wijziging van hoofdverblijfplaats werd afgewezen. Het hof bekrachtigde deze beslissingen.
De vader stelde in cassatie dat het hof het criterium voor toekenning van eenhoofdig gezag niet correct had toegepast en onvoldoende had gemotiveerd waarom het gezamenlijk gezag niet mogelijk was. Daarnaast betwistte hij de afwijzing van zijn verzoek tot omgangsregeling en de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij hij stelde dat hij onvoldoende draagkracht had.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het belang van het kind en de noodzaak van eenhoofdig gezag had vastgesteld, mede gelet op de langdurige communicatieproblemen, het verblijf van moeder en kinderen op een geheim adres en het verblijf van de vader in Turkije. Het hof had ook gemotiveerd geoordeeld dat omgang niet in het belang van de kinderen was. Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde de Hoge Raad vast dat de vader onvoldoende bewijs had geleverd van zijn financiële situatie om draagkracht te ontkennen.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beslissingen van het hof werden bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het eenhoofdig gezag blijft bij de moeder, omgang wordt afgewezen en kinderalimentatie blijft vastgesteld.